Archief van de maart, 2009

Mrt 30 2009

US Air National Guard vreest verlies helft squadrons in 2022

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Andere JSF landen

Arlington, VA (USA) – De US Air National Guard heeft op dit moment een vloot van 746 gevechtsvliegtuigen, het grootste deel daarvan zijn F-16’s, totaal 495. Vanaf 2011 worden F-16’s ouder dan 30 jaar uitgefaseerd en in 2026 moet de hele vloot zijn afgevoerd. Het jaar 2011, dat is al heel snel, realiseert zich de leiding van de Air National Guard. En dat terwijl er nog totaal geen concrete plannen zijn voor de opvolger. Dit betekent de komende tien jaar een voortdurende inkrimping van missies, grote uitstroom van piloten en onderhoudspersoneel. Zoals het er nu voorstaat zit de helft van de 30 Air Guard units in 2022 zonder kisten.

Vroeger kreeg de Air National Guard de “oude” toestellen van de US Air Force. Die tijd is al lang over, want die doorstroming stokt. En de Guard neemt een cruciale plaats in binnen de Amerikaanse strijdkrachten, in de USA zelf en ook daarbuiten. Een derde van de gevechtsmissies boven Irak wordt uitgevoerd door de Guard. De grote vraag is nu: “Wat, hoeveel en waar?”. De situatie is zo ernstig dat Luitenant-kolonel. Don Bevis, een Air National Guard contactpersoon bij het Congres de noodklok heeft geluid. Hij geeft aan dat de luchtverdediging van het Noordamerikaanse thuisland in het kader van het na de 9-11 aanslag van 2002 ingestelde Operation Noble Eagle in gevaar is. Uitstroom van personeel en sluiten van squadrons leiden tot een onomkeerbaar wegvloeien van kostbare (gevechts-)ervaring. Een squadron dat eenmaal opgeheven wordt, komt zelden terug in tijden van bezuiniging.

Eerdere waarschuwing: Homeland defense in gevaar

Zijn waarschuwingen sluiten aan bij een rapport van de US GAO (Rekenkamer) dat in januari 2009 al waarschuwde dat 11 van de 18 luchtverdedigingsbases in 2020 zonder toestellen zouden zitten. Een oplossing is niet voorhanden. Toen medio jaren negentig werd gestart met het Joint Strike Fighter project was de gedachte dat rond 2007-2008 de eerste toestellen operationeel zouden worden. Toen dit iets opschoof richting 2009-2010 werd nog niemand ongerust, immers dat was normaal binnen elk defensieproject. Nadat vorig jaar de ontwikkelingsfase van de JSF werd verlengd tot 2014 en nu de geluiden sterker worden dat de ontwikkeling met nog eens twee jaar verlengd wordt tot 2016 slaat ongerustheid toe. Zelfs op zijn vroegst kunnen F-35’s de Guard in 2015 bereiken, beseft men.

Pentagon wil geen F-16’s of F-15’s overwegen

Generaal Craig McKinley van de Air National Guard heeft nu gezegd dat planners niet uitsluiten terug te zullen vallen op voorstellen om minder dure, nieuwe F-16’s of F-15’s te kopen, waarvan de productielijnen nog steeds open zijn. Maar in het Pentagon wil men hier absoluut niets van weten, omdat dit de productie aantallen (en daarmee de prijsvorming) van de F-35 Joint Strike Fighter negatief zou beïnvloeden. Maar intussen beginnen zich Congresleden er mee te bemoeien, omdat zij zich zorgen maken over de nationale verdediging.

Gerelateerde artikelen:
29-jan-2009: “US Rekenkamer: in 2020 “homeland” defensie in gevaar(inclusief overzichtstabel)

BRON: Airforcetimes.com; 29 maart 2009 “Air Guard losing its fighter punch”

JSFNIEUWS090330-ShM/nb

5 reacties op dit bericht...

Mrt 26 2009

Deens Rekenkamerrapport: informatie ontoereikend voor besluit

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Andere JSF landen

Kopenhagen (DK) - Op 25 maart 2009 verscheen in Denemarken het jaarlijkse rapport van de Deense Nationale Rekenkamer (Rigsrevisionen) inzake de opvolging van de huidige F-16. “Elke beslissing nu over de aanschaf van een gevechtsvliegtuig is een stap in het duister”, vindt de Deense Nationale Rekenkamer. De rekenkamer wijst op de onzekerheid inzake de werkelijke behoefte inzake aan te schaffen gevechtsvliegtuigen, de onzekerheid over de prijs en levensduurkosten en de niet transparante selectieprocedure.

Op dit moment dingen drie vliegtuigen mee naar de gunst van de Deense luchtmacht bij de opvolging van de F-16. Dit zijn de F-35A Joint Strike Fighter (JSF), de Boeing Super Hornet en de Saab Gripen NG. De JSF is veruit favoriet bij het projectteam van de Deense luchtmacht. Het gaat om 36-48 toestellen. In het vandaag uitgebrachte rapport stelt de Rekenkamer dat de Deense Defensie bezig is met de selectie van een nieuw vliegtuig, zonder werkelijk te weten waarvoor de nieuwe gevechtsvliegtuigen gebruikt moeten gaan worden. Pas na uitbrengen van de nieuwe defensienota (eind maart) is er een idee wat het toekomstige ambitieniveau zal zijn, welke hoofdtaken daar bij horen en aan welk type gevechtsvliegtuig vervolgens behoefte is. (Hoofdstuk III). Hoewel er lof is over bepaalde positieve veranderingen in de verbeteringen in de aanschafprocedures voor materieel ten opzichte van eerdere rapporten, is de Rekenkamer niettemin kritisch. Ze vindt dat Defensie geen duidelijk beeld heeft over de gewenste mix aan vliegtuigen (en helikopters) voor de te verwachten taken in de toekomst voor de Deense luchtmacht. Ze stelt dat dit niet zondermeer een afspiegeling zal zijn van de taken van de huidige F-16 en roept op hier eerst beter inzicht in te hebben alvorens beslissingen te kunnen nemen.

Gebrek aan transparante toetsingscriteria

Niet alleen Defensie, maar ook richting de fabrikanten was er onduidelijkheid omtrent de eisen van de Deense luchtmacht volgens de Deense Rekenkamer: “De Rigsrevisionen heeft vastgesteld dat de criteria voor de beoordeling van de kandidaten voor de opvolging van de F-16 nog niet duidelijk waren vastgesteld in de periode 2005-2007 ten tijde van de offerte aanvragen bij de diverse producenten. Pas daarna zijn de criteria en ijkpunten waarop de kandidaten worden getoetst vastgesteld” (Blz.19, punt 45). En zo vervolgt de Rekenkamer: “Defensie heeft niet van tevoren aangegeven hoe een mix van goede scores en minder goede scores voor bepaalde eigenschappen gewogen moeten worden om een rangorde te bepalen tussen de kandidaten.” (punt 47). Dit leidt tot gebrek aan transparantie bij de evaluatie, ook ontbreekt een toereikende risico analyse. De Rekenkamer stelt vast dat vaak sprake is van gegevens die door de Deense regering worden achtergehouden met het argument dat deze “vertrouwelijk zijn om commerciële of politieke redenen” (blz. 9).

Levensduurkosten onduidelijk

De Deense rekenkamer constateert tevens dat er tussen de Deense en de Noorse defensie organisatie een totaal andere bedragen uit de bus komen inzake de totale levensduurkosten voor de JSF-gevechtsvliegtuigen. In Noorwegen wordt gerekend met totale levensduurkosten voor de 48 aan te schaffen vliegtuigen van US$ 22 miljard. De Deense Rekenkamer “stelde vast dat de Noorse berekeningen inzake de levensduurkosten van de Joint Strike Fighter aanzienlijk hoger uitkomen dan de voorlopige schattingen van de Deense defensie organisatie”. En zegt de Rekenkamer: “De Deense kandidatenvergelijking gaat voor de JSF uit van nog slechts heel voorlopige berekeningen, zover deze door de Rigsrevisionen zijn gezien.”.
Overigens wordt duidelijk dat de Deense Luchtmacht met 130 uur per F-16 beduidend onder de NATO norm blijft van 180 uur per F-16 (blz. 24) en dat het percentage operationele beschikbaarheid voor de 62 Deense F-16’s op slechts circa 50% ligt. Men hoopt dat dit in de toekomst bij de opvolger uitkomt op 70-75%.

Prijsopgaves niet bindend

Probleem vindt de Rekenkamer dat alle opgaven van fabrikanten nog vrijblijvend zijn en op geen enkele manier bindend (blz. 21, punt 56), dit leidt tot beslissingsonzekerheid (blz.4). Ook het feit dat nog onbekend is hoeveel toestellen gekocht zullen worden (24-48) heeft maakt een berekening nog lastig, het te kopen aantal is van grote invloed (blz.4). Ten aanzien van de industriële compensatie merkt de Rekenkamer op dat ook op dit punt grote onzekerheden zijn (Blz. 30-31) en dat de opmerkelijke situatie bestaat dat Boeing en Saab voor hun kandidaten conform de Deense wet minimaal 100% compensatie orders moeten garanderen, maar dat dit niet geldt voor de JSF, omdat de Deense Defensie daarvoor aan Lockheed Martin een ontheffing heeft verleend (blz. 30, punt 88).

Nieuw rapport Defensie Commissie

Vandaag verschijnt naar verwachting de het rapport van de Deense Defensie Commissie. Het zal niet aangeven welke straaljager gekozen moet worden, maar slechts aangeven dat er straaljagers nodig zijn en dat het aantal afhankelijk is van het te kiezen ambitieniveau. Bij een geringer aantal straaljagers kan geld vrij gemaakt worden voor andere defensieprioriteiten. Dit sluit aan bij een eerder Deens Rapport “Danmarks behov for Kampfly” van het Dansk Institit for Miltaere Studier” uit 2007: eerst bepaling ambitieniveau na 2010, dan keuze vliegtuig.

Conclusie

Wie het Deense Rekenkamer rapport leest en zich op de hoogte stelt van recent verschenen soortgelijke rapporten in de USA en Nederland ziet dat de hoofdlijn is: er zijn nog grote onzekerheden, de risico’s zijn onvoldoende in kaart gebracht, er is gebrek aan informatie en transparantie, er is onduidelijkheid over de prijs, over de levensduurkosten en levertijd. Feitelijk stelt de Deense Rekenkamer: op dit moment kan niet weloverwogen een besluit genomen worden, hoewel men tevreden is over een aantal verbeteringen de laatste jaren in het Deense materieel verwervingsproces en daar vooruitgang ziet.

Bron:
Deense Rekenkamer; 25-mrt-2009 “Beretning til Statsrevisorerne … nye kampfly

Gerelateerd nieuws:
JSFNieuws; 09-mrt-2009; “Deense JSF discussie woedt in volle hevigheid

JSFNIEUWS090325-AS/jg

Een reactie op dit bericht...

Mrt 25 2009

Onafhankelijke positie NLR inzake JSF betwijfeld

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Aanschaf JSF

Den Haag – Dinsdagmiddag 24 maart 2009 ontvingen de leden van de Vaste Kamercommissie voor Defensie een officieel schrijven van Saab met hun reactie op het NLR geluidsrapport over de JSF en Gripen NG. Saab heeft de bekende geluidsdeskundige Professor Dr. Sohan Sarin ingeschakeld. Deze noemt de NLR conclusies aanvechtbaar en van een gehalte “die een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoeksinstituut onwaardig zijn”.

Toen vorige week 16 maart 2009 het rapport “Beoordeling geluidsgegevens kandidaat-toestellen VF-16? werd gepubliceerd door het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) was er alom verbazing over de uitkomsten. Hoofdconclusie was dat de JSF en de Saab Gripen NG elkaar qua geluidsniveau nauwelijks ontlopen. De bewoners rond Leeuwarden reageerden direct afwijzend vanwege het incomplete karakter. Saab reageerde tamelijk boos, omdat ze van mening waren dat sprake was van een eenzijdige pro-JSF rapportage, en zeiden een contra-expertise te zullen vragen. Deze is gisteren vrijgegeven en is opgesteld door emeritus hoogleraar professor dr. Sohan Sarin in samenwerking met A2Zound/Semcon.
Professor Sarin is een vooraanstaand deskundige op het gebied van geluid in de luchtvaart. Hij heeft een reeks onderzoeken op zijn naam staan, waarvan indertijd een aantal gezamenlijk met deskundigen van de NLR. Professor Sohan Sarin exploiteert het adviesbureau Sarin Aeroacoustical Services in Amsterdam.

Conclusies second opinion inzake geluid en NLR

Het rapport en een begeleidend schrijven werden rondgestuurd aan leden en medewerkers van de Vaste Kamercommisie voor Defensie. Eén van hen stuurde ons het rapport door, zodat wij deze online konden zetten: “Assessment of Report NLR-CR-2009-053”.
Samengevat is de conclusie van de contra expertise:
(1)
De NLR rapportage is gekleurd en schijnbaar bevooroordeeld uitgevoerd, en heeft een niveau dat onwaardig is voor een zich onafhankelijk noemend wetenschappelijk instituut.
(2)
De Saab Gripen NG maakt wel degelijk beduidend minder geluid dan de JSF
(3)
Bij tal van NLR conclusies en rapportagepunten zijn vaktechnisch grote vraagtekens te plaatsen.

Positie NLR als onafhankelijk instituut in geding

Vorige week waren we verbaasd toen we het NLR rapport onder ogen krijgen en stelden in ons artikel “NLR geluidsrapport JSF en Saab direct omstreden” al de nodige vraagtekens. Wij stelden onder andere: “Door zich op te stellen als meetinstituut (wie betaalde de NLR inspanning in Edwards?) en vervolgens als beoordelaar van een collega meetinstituut en als “onafhankelijk” rapporteur een dergelijke incomplete rapportage te brengen diskwalificeert de NLR zichzelf als onderzoeksinstituut in de ogen van veel vakgenoten. Uit wetenschappelijk oogpunt en integriteits oogpunt lijkt dit een volstrekt onverdedigbare beroepshouding te zijn.“
Dit wordt in de contra-expertise van Professor Dr. Sohan Sarin feitelijk onderbouwd bevestigd. De vaststelling dat er “conclusies getrokken worden die een onafhankelijke wetenschappelijk onderzoeksinstituut onwaardig zijn” is verregaand. Te meer wanneer men bedenkt dat ditzelfde NLR een cruciale rol heeft gespeeld bij de opstelling van de offerte aanvragen (Questionnaire), beoordelingscriteria en bij de uitvoering van de Kandidatenevaluatie zelf.
De NLR is gaan functioneren als een commercieel functionerend bureau, officieel door Lockheed Martin genoemd als partner in zijn “F35 Global Supply Team” en voor een aanzienlijk deel van de omzet afhankelijk van defensie, van Stork, van Lockheed Martin. De voorzitter van de Raad van Toezicht van NLR, de heer Kraaijeveld, is gelijktijdig woordvoerder van de organisatie van de bij de JSF betrokken Nederlandse bedrijven, Nifarp. Deze verstrengeling van belangen maakt dat de NLR uit oogpunt van gewenste zuiverheid nauwelijks meer in te zetten is als partner bij beoordeling van de keuze van een opvolger van de F-16. Ook de schijn van belangenverstrengeling moet in dergelijke grote aankoopprocessen uit oogpunt van democratische zuiverheid worden vermeden.

Inhoud second opinion geluid JSF en Saab

Hieronder een vrijwel integrale Nederlandse vertaling van het commentaar. Deze verwijst naar de bladzijden in het NLR rapport van 16 maart 2008 en is tamelijk technisch van aard.

Paragraaf 1 - Introductie

Het Nationaal Lucht-en Ruimtevaart Laboratorium (NLR) heeft een vergelijkende beoordeling gemaakt tussen de F-35 en de Saab Gripen. Het vliegtuig F-16 MLU is daarbij als referentie gebruikt. De vergelijking en bijbehorende conclusies zijn gebaseerd op A-weigthed geluidsniveaus, LAmax. Verscheidene geluidsmeetinstrumenten zijn gebruikt om vliegtuiggeluid te meten. Ter verduidelijking zijn hieronder een aantal veel gebruikt A-weighted geluidsmeetinstrumenten omschreven:

Maximaal Geluidsniveau (Lamax): Maximaal geluidsniveau dat tijdens een individuele gebeurtenis voorkomt, zoals het overvliegen van een vliegtuig. Het gaat om de piekwaarde die gehoord wordt gedurende de gehele vliegbeweging. Lamax kan het best gebruikt worden om geluid te beschrijven dat gedurende een hele korte periode te horen is, zoals een wapenschot of de knal van een uitlaatpijp van een auto.

Geluidsblootstellingsniveau (SEL): De totale geluidsenergie van een individuele gebeurtenis waarin de intensiteit, frequentie en tijdspanne zijn verenigd. In tegenstelling tot Lamax wordt dit meetinstrument genormaliseerd naar een gerefereerde tijdsduur van een seconde, waardoor gebeurtenissen van verschillende tijdsperiodes kunnen worden vergeleken. Voor individuele gebeurtenissen met een langere tijdsduur, zoals een vliegtuigbeweging, kan de piekbelasting beter worden beschreven met de SEL. SEL omschrijft het geluidsniveau dat wordt ervaren als alle geluidsenergie van een overvliegend vliegtuig in één seconde zou plaatsvinden. Aldus maakt SEL een directe vergelijking mogelijke tussen geluidsgebeurtenissen met een verschillende tijdsduur.

Gelijkwaardig geluidsniveau (Leq): Tijdgemiddelde van de totale geluidsenergie van een bepaalde tijdsperiode. In tegenstelling tot LAmax en SEL kan Leq meerdere geluidsgebeurtenissen voor zijn rekening nemen.

Bovengenoemde meetinstrumenten zijn nuttig voor het beschrijven van vliegtuiggeluid. Het meetinstrument Dag-nacht gemiddelde geluidsniveau (DNL), dat een variant is van Leq, wordt voornamelijk gebruikt in studies naar het geluid rondom vliegvelden.

VS Federale wetgeving vereist het gebruik van DNL, boven andere geluidsmeetinstrumenten om vast te kunnen stellen of de impact van het vliegtuig geluid “significant” is. De Federal Aviation Administration (FAA) gebruikt een DNL waarde van 65 decibel om te bepalen of zich activiteiten voordoen die niet passen in de omgeving van een vliegveld.

Paragraaf 2 - Geluidsgegevens

In dit hoofdstuk worden de gegevens nagegaan die door de NLR zijn beoordeeld.
F-16 MLU: Geluidsgegevens gemeten door NLR op de luchtmachtbasis Leeuwarden.
F-35: NLR heeft de gegevens gebruikt die gemeten zijn op de Edwards luchtmachtbasis. Men krijgt de indruk dat de daadwerkelijke metingen zijn uitgevoerd door AFRL (Air Force Research Labaratory) en dat de NLR slechts een “actieve” waarnemer was. De opmerking op pagina 19 in het rapport dat de metingen op zeer professionele wijze zijn uitgevoerd roept verbazing op terwijl er voor de meetactiviteiten van Saab op pagina 20 geen waardering wordt uitgesproken.

Bovendien rijst de vraag waarom ander gegevens die beschikbaar zijn voor de NLR (X-35 en Mineral Wells gegevens), simpelweg terzijde worden geschoven door te stellen dat de gegevens kwalitatief niet voldoende zouden zijn (pagina 19).

Gripen NG: NLR heeft alleen gebruik gemaakt van zeer beperkte gegevens namelijk (1) één fly-over op 1000 ft met een snelheid van 300 kts en (2) één take-off met militaire stuwkracht op 1000 ft met een snelheid van240 kts. In werkelijkheid heeft Saab drie herhaalde fly-over metingen en twee herhaalde take off Mil metingen verricht maar het NLR rapport maakt alleen melding van een set gegevens per vlucht zaak (pagina 22, item 1). De aanvullende Noise Power Distance (NPD) database van de Gripen A-D, beschikbaar gesteld door Saab aan NLR, is niet eens gebruikt terwijl in het A2Zound-meetrapport van november 2008, beschikbaar gesteld aan NLR, werd aangetoond dat de huidig beschikbare NPD database voor de Gripen A-D versies direct toepasbaar zijn op de Gripen NG. NLR stelt zelfs (pagina 26) dat het Gripen demo vliegtuig niet representatief is voor het beoogde Nederlandse doel. Een dergelijke opmerking is niet gemaakt voor de F-35.

Ook is de gemiddelde LAmax waarde zoals gepresenteerd voor de Gripen NG op T/O Mil in het A2Zound-meetrapport van november 2008 buiten beschouwing gelaten met de opmerking het correcter is om de maximale waarde van de gebruikte microfoons te nemen (pagina 23. item 3). Uiteraard heeft NLR later de maximale LAmax van de Gripen NG, 109 dB (A) gebruikt in plaats van het gemiddelde 108 dB (A), in de vergelijking tussen de vliegtuigen. Als gevolg daarvan zou het van groot belang zijn om te weten hoe de LAmax niveaus voor het andere vliegtuig zijn afgeleid. Dit is niet duidelijk.

NLR heeft de metingen van Saab zwaar bekritiseerd, zowel het gebruik als de nauwkeurigheid (pagina’s 20-26). In het licht hiervan zou het logisch en eerlijk zijn geweest als NLR het huidige vergelijkende onderzoek niet zou hebben voortgezet. In plaats van om relevante testen te verzoeken hebben ze toch de gegevens van Saab gebruikt om tot een conclusie te komen. Bovendien roept het verbazing op dat vertegenwoordigers van NLR die aanwezig waren tijdens de metingen in november 2008 geen issues aangaven met betrekking tot de metingen.

Paragraaf 3 - Concluderende opmerkingen

Conclusie 1: NLR heeft op basis van extreem beperkte gegevens van Gripen (MIL Power) en afgeleidde AB Power van de F-18 E/F (pagina 43) conclusies getrokken die een onafhankelijke wetenschappelijk onderzoeksinstituut onwaardig zijn. Verder wordt in het NLR rapport (pagina 19) gesteld dat het 3 maanden duurt om de gegevens van de Edward luchtmacht basis te analyseren. Daarnaast was de beschikbare informatie over de Gripen NG niet compleet zoals dat wel zou moeten zijn. Men vraagt zich af wat het nut is van het maken van deze vergelijkende studie op dit moment, met als gevolg dubieuze resultaten tot gevolg.

Conclusie 2: De gevolgtrekking van AB power voor Gripen (1 motor) van de F-18 (2 motoren) is bedenkelijk en behoeft verdere verklaring.

Conclusie 3: LAmax zoals gebruikt door NLR in de vergelijking tussen F-35/Gripen NG beschrijft op geen enkele wijze de geluidsimpact in de omgeving van het vliegveld. De SEL en de DNL voor take-off moeten worden bepaald evenals voorwaarden voor alle vliegtuigen. Als er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn voor vergelijkingsdoeleinden moeten er aanvullende metingen worden gepland.

Conclusie 4: In het Eglin BRAC rapport (oktober 2008), tabel E-7, staat dat de SEL onder de vliegbaan van een F-35 die een T/O MIL is 121 dB op 1000 ft. Het is mogelijk om de SEL van de Gripen te benaderen op basis van de informatie in dit rapport door LAmax en tijdsduur te gebruiken, zie figuur 4 in het Z2Zound rapport van november 2008, waar de variatie of LAS (overall A-weighted sound level, time weighting slow) is gegeven voor de herhaalde T/O MIL met Gripen NG. De tijdsperiode lijkt 8 seconde te zijn voor de take offs. Op basis van de rekenformulers uit de “Handbook of Aircraft Noise Metrics (NASA)” komt de SEL bij benadering uit op 114 dB voor Gripen NG op t/O Mil, wat substantieel lager is dan de voor de F-35 gestelde 121 dB in het Eglin BRAC rapport (oktober 2008).
Dit is opmerkelijk. Zou het kunnen zijn dat de F-35 verhoudingsgewijs lage LAmax waarden geeft als deze ook op SEL wijze wordt vergeleken? Als dit het geval zou zijn, zou dat betekenen (1) dat de duur van de F-35 veel langer is dan de duur van de Gripen NG en/of (2) dat de geluidsgebeurtenis van de F-35A er heel anders uitziet in vergelijking met de Gripen NG (geen driehoekige vorm zoals in het geval van Gripen NG) en/of (3) dat de geluidsgegevens gebruikt in het Eglin BRAC rapport (oktober 2008) niet representatief zijn voor de versie van de F-35 die voor Nederland is bestemd?

Conclusie 5: De scatter getoond in figuren 1,3 en 4 van het NLR rapport maart 2009 is niet gebaseerd op statistische analyses maar op zogenaamde fysieke aannames. Het effect dat individuele aannames hebben op het geluid zelf is niet transparant gemaakt.

Referenties:
NLR; 16-mrt-2009; Geluidsproductie JSF en Gripen NG nagenoeg gelijk
Ministerie Defensie; 16-mrt-2009; Kamerbrief Geluid kandidaattoestellen vervanging F-16
Rapport A2Zound; november 2008; inzake geluidsniveau Saab Gripen NG
Rapport; 24-mrt-2009; Contra-expertise A2Zound/Professor Dr. Sohan Sarin

JSFNIEUWS090325-JG/jg

Nog geen reacties op dit bericht. Vragen of opmerkingen zijn welkom!

Mrt 21 2009

Amerikaanse Rekenkamer: Productieproblemen en software risico’s (deel 3)

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Ontwikkeling JSF

Arlington, VA (USA)/Den Haag – De Amerikaanse Rekenkamer (US-GAO) bracht vorige week het vijfde rapport uit inzake het JSF Programma. In dit derde en laatste artikel gaan we in detail in op dit US-GAO rapport wat betreft de kostenverhogingen en de mogelijke basis voor een “consortium buy”. In het eerste artikel (19 maart) gingen we in op de door de Amerikaanse rekenkamer gesignaleerde risicovolle overlap tussen testen en productie. In het tweede artikel (20 maart) namen we de prijsverhogingen en consortium buy onder de loep.

Omvangrijke aanloopproductie niet kosteneffectief

De US-GAO waarschuwt dat het kopen van grote aantallen toestellen in de aanloopfase de problemen slechts zal vergroten. Chronische onvolkomenheden en inefficiënte processen in de productie, problemen met toegeleverde onderdelen, te late en gewijzigde ontwerptekeningen, voortdurende ontwerpwijzigingen en een tegenvallende leercurve vertraagden de aflevering van testtoestellen, en dit zal bij de eerste productieseries niet anders zijn. Het US-GAO rapport: “Procuring large numbers of production jets while still working to deliver test jets and mature manufacturing processes does not seem prudent, and looming plans to accelerate procurement will be difficult to achieve cost effectively.“
Hiermee neemt US-GAO stelling tegen de voorstellen van de chefstaf van de US Air Force general Norton Schwartz’s die in juli 2008 de Amerikaanse Senaat bevestigde bij voorkeur de aantallen te kopen F-35’s (in februari 2007 gehalveerd van 110 naar 48 per jaar) terug te willen verdubbelen naar rond de 80-90 per jaar in de eerste paar jaar van productie.
Nee, zegt US-GAO, als je in een nog onstabiele productiefase, deels door de risicovolle overlap van testen en productie, de productie omhoog schroeft zijn de gevolgen bij verdere problemen niet te overzien.

Productiekosten structureel hoger

Het onderzoek in 2008 van het Pentagon Joint Estimate Team, waar het US-GAO rapport dit jaar sterk op steunt, geeft aan dat de productie efficiëntie niet zo snel toeneemt als gedacht. Ander punt is dat de “commonality”, de mate van overeenkomst tussen de versies voor luchtmacht, mariniers en marine, veel minder groot is dan gedacht. Dit was een “key selling point” van de JSF, het “Joint” zijn moest grote besparingen op het vlak van de productie opleveren, maar de toestellen hebben onderling zoveel verschillen, dat hiervan beduidend minder sprake is. Dat is een structureel punt. Datzelfde geldt voor de benodigde productietijd, die aanzienlijk hoger blijkt te zijn dan in de voorcalculaties.
Zo blijkt er weliswaar sprake te zijn van een afnemend aantal montage uren per toestel, maar structureel is sprake van tussen de 60.000 en 84.000 meer montage uren per toestel dan gepland. De prototypes zijn geherpland met 40% meer uren dan gedacht en voor de eerste en de laatste prototypes. Echter, de realiteit op basis van de eindmontage van de prototypes BF-1 en de BF-2 blijkt nog slechter uit te pakken, op sommige stations is een sprake van een meer dan 100% toename in de nacalculatie ten opzichte van de voorcalculatie uit 2006. De zogeheten “learning curve” waarmee jaren is geschermd, heeft nog nauwelijks effect. Zorgwekkend, want tegelijkertijd geven andere mensen binnen het Pentagon aan dat de marges qua leercurve nu al krap zijn. Risicovol is dat veel geleverde componenten niet conform specificaties waren gebouwd, niet verbazend met telkens nog wijzigende ontwerptekeningen, en dat subcomponenten bij leveringen ontbraken. Dit hindert het productieproces.
In een reactie geeft Ahern van het Pentagon aan dat hij gelooft “the program is well managed, with the proper amount of oversight, and well-positioned to succeed in accomplishing this mission of providing a fifth-generation fighter as quickly, efficiently and affordably as possible.” Binnen het Pentagon is er dus geen eenstemmigheid over de kans op succes.

Gevolg is tweeledig

Het gevolg van dit structurele probleem is tweeledig. De doorlooptijd in de fabriek zal langer zijn. Een extra 60.000 tot 100.000 uur is 40 tot 60 mensjaar FTE per toestel extra en dit zal structureel het productietempo afremmen en dus de levertijd van de eerste serie prototypes en aanloopseries vertragen. Bij 50 toestellen per jaar is dit al 2000-3000 man extra personeel aan het werk. Extra personeel inzetten om zaken te versnellen is echter door de aard van de montage stations beperkt mogelijk. Los van het feit dat het niet doenlijk is om op zo korte termijn zoveel gekwalificeerd personeel te werven, op te leiden en in te werken. De US-GAO wijst er niet voor niets op dat “The contractor has extended the manufacturing schedule three times”. Als deze cijfers geëxtrapoleerd worden naar de afleveringsdata voor de eerste 30 toestellen, waaronder het eerste Nederlandse “testtoestel” is een tijdige leverdatum in 2011 vrijwel zeker onhaalbaar.

Geen vaste prijs haalbaar vanwege onzekerheden

Een ander gevolg is dat een 60.000 tot 100.000 uur bij een gemiddeld uurtarief van US$ 50/uur sprake is van een structureel US$ 3 tot 5 miljoen hogere “kale kostprijs”. Omdat deze productiviteitscijfers nu pas zichtbaar worden is daar in begrotingen nog niet mee gerekend. Maar hoe het werkelijk gaat uitpakken is verregaand onzeker. De productie laten toenemen bij een stabiele kostenbasis op een stabiele productielijn kan prima. Maar, zoals het JSF Program Office in ieder geval in het najaar van 2008 nog voorstelde, dit te doen op een overbelaste productielijn waar nog tal van afstemmingsproblemen en inefficiënties een rol spelen en er het beste van hopen en menen dat dit de kostprijs zal drukken is uit economisch oogpunt onzinnig.
Niet zonder reden beveelt de US-GAO aan om een risico analyse te gaan uitvoeren van de inefficiencies en onzekerheden in de productieprocessen en productieplanning. Veelzeggend is dat het Pentagon onverkort instemt met deze aanbeveling.
De eerste 30 toestellen, waarover inmiddels duidelijkheid is, kosten US$ 7,4 miljard, ofwel ruim US$ 246 miljoen per stuk. Verwacht wordt dat de volgende 330 toestellen US$ 49 miljard zullen kosten, nog steeds US$ 150 miljoen per stuk gemiddeld, maar dit kan ook hoger uitpakken. En lager zal het, gelet op de traditie in defensieprojecten, niet worden.
Bij deze aanloopseries is sprake van “cost reimbursement” basis: dat wil zeggen dat de koper extra moet betalen voor “toegestane benoemde kosten overeenkomstig wat in het contract staat”, dit zijn veelal arbeid, valutaverschillen en (ruw) materiaalkosten. De vraag is dus wat voor contract Nederland tekent bij de koop van de eerste testtoestellen en welke begrotingsrisico Defensie daar bij loopt. Zelfs voor de Tweede Kamer vooraf niet te controleren. De US-GAO echter vindt de koop van de eerste 15% van de JSF toestellen in de vorm van dit soort contracten een teken dat ontwerp, productieprocessen nog niet op orde zijn en calculaties van arbeid en materiaal nog onvoldoende uitgekristalliseerd, anders zou de fabriek wel een vaste prijs durven afgeven.

Ontwikkelfase (SDD) gaat tot eind 2016 duren

Nadrukkelijk wordt nu al de vorig jaar besloten verlenging met een jaar, tot oktober 2014, opnieuw ter discussie gesteld. Gesproken wordt van een ontwikkelingsfase die in ieder geval tot eind 2015 of mogelijk zelfs oktober 2016 gaat duren. Dit is geen verwachting van de “beroepspessimisten” van de Rekenkamer, maar van het uit US Air Force, US Marines Corps en US Navy samengestelde Joint Estimate Team van het Pentagon zelf, dat in 2008 het hele programma onder de loep heeft genomen. Het US GAO rapport wijst er op dat het testplan herzien is met een jaar extra ontwikkelingstestwerk tot eind 2014 (dit jaar valt samen met onze IOT&E fase), maar dat dan nog het testschema “is still aggresive and allows little time for error discovery, rework, and recovery from downtime”.
Het rapport geeft aan dat alle prototypes in 2009 en deels in 2010 afgeleverd zullen worden. Zelfs tot voor zeer kort stelde Lockheed Martin in persberichten nog dat alle prototypes in 2009 beschikbaar zouden komen, maar kennelijk is al bekend dat sprake zal zijn van een verschuiving. Om dit te bereiken is een enorme testinspanning nodig.
De planning van het uitvoeren van testvluchten, als er geen vertraging optreedt, is nu als volgt:
Eind 2009 2% testvliegen gereed, als al 33 productietoestellen in aanbouw zijn.
Eind 2010 9% testvliegen gereed, als al 65 productietoestellen in aanbouw of gereed zijn.
Eind 2011, 34% testvliegen gereed, als al 112 productietoestellen in aanbouw of gereed zijn.
Eind 2012, 65% testvliegen gereed, als al 230 productietoestellen in aanbouw of gereed zijn.
In dat jaar moet dus niet alleen 31% van al het testwerk worden gedaan, ook zijn er met nog 1/3 van het testwerk te gaan al honderden toestellen in een bepaald productiestadium. De vraag is, wat als er dan nog problemen met bepaalde componenten worden ontdekt?
En kort hierna, met nog 35% van het testwerk te gaan moet de Nederlandse IOT&E fase starten. Hoe zich dit verhoudt tot een Initial Operational Capability datum van 2012 voor het US Marine Corps met nog zoveel ontwikkelingstestwerk uit te voeren laat zich raden.

Missie software en IOT&E fase

Het Pentagon Joint Estimate Team (dus niet alleen de US GAO) denkt tevens dat het testen van de missiesoftware, essentieel voor een tijdige start van het uitvoeren van de IOT&E fase minimaal 2700 vliegtesturen gaat kosten, in plaats van de nu geplande 1700 uren. Ze baseert dit op ervaringen uit het F-22 vliegprogramma. Het JSF Program Office is het oneens met de rekenmeesters van het Pentagon die op hen toezien. Maar, alleen de missiesoftware van de JSF omvat al een factor 3,4 meer coderegels dan de F-22 met dus een exponentieel toenemende testtijd. De JSF Program Office gaat uit van nul procent (!) wijzigingen in software behoefte tot eind 2014. Terecht noemt het Pentagon Joint Estimate Team dit niet realistisch en meent dat sprake zal zijn van 30% tot 100% groei in software behoeften tot het eind van de ontwikkelingsfase ten opzichte van nu.
Het JSF Program Office zegt 18 maanden voor te lopen op het gelijke punt in de F-22 Raptor ontwikkeling. Maar zegt het Pentagon, dat is “Uitgaande van de niet realistische verwachting van 0% code toename” Bovendien was de realiteit dat de F-22 ontwikkeling, dat na een start in 1990 pas vijftien jaar later, in 2005 de Initial Operational Capability werd bereikt.

Karakter Nederlandse IOT&E fase

Dit roept de vraag op over de aard van het Nederlandse IOT&E werk. Is dat operationele voorbereiding of een voortgezette DT&E (Development Test and Evaluation) fase, met veel trial en error werk voor de betrokkenen (lees Lockheed Martin), waardoor het daadwerkelijk operationeel voorbereiden volledig ondersneeuwt vanwege een slechte missie beschikbaarheid. Dit risico is levensgroot aanwezig en betekent dat de aanzienlijke investering van € 275 miljoen voor de IOT&E fase vanuit toch altijd schaarse beschikbare middelen in de KLu wellicht niet optimaal besteed zijn. Het kan toch niet zo zijn dat schaarse KLu middelen benut worden om het testwerk van een miljardenconcern als Lockheed Martin te helpen financieren, dat met een 10% winstmarge op haar defensie omzet werkt.

Eind 2016 opgezadeld met veel suboptimale kisten

Wanneer eind 2016 de ontwikkelingsfase is afgelopen en alle problemen eruit zijn gehaald dan heeft de KLu al tientallen kisten geleverd gekregen. Niemand lijkt zich druk te maken over de werkdruk bij het technische personeel om al deze suboptimale kisten weer goed te maken, los van de enorme kosten die hiermee gepaard gaan en de ernstige operationele consequenties. Nu al komen zaken boven tafel als “herontwerp van de motor”, de huidige motor wordt maar voor 2.000 gegarandeerd. Wat kost straks een serie voortijdig te vervangen motoren? Er zijn problemen met de brandstofpomp, met te licht uitgevoerde aggregaten voor opwekking van de 270 volt stroom; thermische problemen met electro hydraulic actuators, ernstige problemen met het totale thermisch management systeem, dat “herontworpen” moet worden. Dit is bij 1% van de testvluchten al boven tafel gekomen, wat staat in de andere 99% testvluchten nog te wachten? In dit stadium met zoveel “herontwerp” opdrachten, die in 2012-2013 hun beslag moeten krijgen en dan in reeds gereed zijnde toestellen weer ingebouwd moeten worden (wat een kapitaalvernietiging van te vervangen onderdelen) kan slechts gesteld worden dat het riscio enorm is en dat de KLu door vooraan de rij te kopen opgezadeld wordt met een hele serie probleemkisten, waar de KLu tot in lengte van jaren last mee gaat houden tegen enorme financiële en personele lasten.

Aanbevelingen van de US-GAO

De US-GAO raadt het Pentagon aan “to report to congressional defense committees on the risks and mitigation strategy for use of cost reimbursement contracts for procurement and plans to transition to fixed-price contracts.” Kortom, de strategie om via de zogeheten low-rate initial production contracten met een onzekere prijscomponent te kopen, zou moeten worden verlaten en zo snel mogelijk moet gekomen worden tot contracten met een vaste prijs.
En als tweede raadt het US-GAO aan dat het Pentagon zou moeten verzekeren “that the prime contractor performs periodic schedule-risk analyses to improve schedule and budget actions.”
David Ahern (Pentagon, Office of the Undersecretary of Defense’s director of acquisition) geeft in een toegevoegd commentaar bij het rapport aan het deels eens te zijn met de eerste aanbeveling en het geheel eens te zijn met de tweede aanbeveling. “The department agrees that a report to the congressional defense committees explaining the department’s plan to transition from cost reimbursable contracts to fixed price contracts for the Joint Strike Fighter (JSF) procurement would be beneficial to enhance congressional oversight and confidence in the JSF program,” Ahern wrote. “However, the Department believes that the under secretary of defense for acquisition, technology and logistics . . . should be responsible for the report, not the Joint Strike Fighter program.” Degene in het Pentagon die verantwoordelijk is voor materieel verwerving zal per 1 oktober 2009 aan de defensiecommissies in het Congres rapporteren inzake de gestelde vereisten in de aanbevelingen.

Betrouwbaarheid van deelnemende JSF partners

In Nederland wijst men graag op het feit dat Nederland geen beslissingen moet uitstellen, omdat Nederland een betrouwbare JSF partner wil zijn. Maar sinds 2001 is Nederland dat altijd geweest. Tijdig en conform afspraken zijn door de Nederlandse overheid de betalingen verricht en afspraken in de Memory of Understandings nagekomen. De tegenprestaties op deze weegschaal van wederzijdse plichten is: op tijd de ontwikkelfase afronden, op tijd kunnen leveren, conform een in 2002 afgesproken richtprijs kunnen leveren, een bepaald prestatieniveau kunnen halen, een bepaald ordervolume wegzetten in de Nederlandse industrie. Deze gewichten op de weegschaal van betrouwbaarheid ontbreken inmiddels in toenemende mate. En als dit Amerikaanse Rekenkamer rapport juist is, dan zal er aan de Amerikaanse zijde van de betrouwbaarheidsweegschaal steeds meer gaan ontbreken. In dit stadium is het belangrijk voor het Nederlandse parlement dat hierover meer duidelijkheid ontstaat, dat bindende afspraken worden gedaan en nagekomen. Immers, de risico’s zijn na 2008 slechts verder toegenomen.

Eerdere artikelen over het US-GAO rapport:
19-mrt-2009; Deel 1 “Risico overlap testen en productie
20-mrt-2009; Deel 2 “Prijsverhogingen en consortium buy

Bron:
US-GAO; 12-maart-2009; “Accelerating Procurement before Completing Development Increases the Government’s Financial Risk

JSFNIEUWS090318-Redactieteam

Een reactie op dit bericht...

Mrt 20 2009

Amerikaanse Rekenkamer: prijsverhogingen en consortium buy (deel 2)

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Ontwikkeling JSF

Arlington, VA (USA)/Den Haag – De Amerikaanse Rekenkamer (US-GAO) bracht vorige week het vijfde rapport uit inzake het JSF Programma. Met name de overlap tussen testen en productie wordt als risico gezien; de US GAO verwacht dat de ontwikkelfase twee jaar extra, tot 2016, zal vergen. Tevens dringt de Rekenkamer aan op het snel realiseren van vaste prijs contracten om de voor de belastingbetaler risicovolle niet bindende prijs contracten niet te lang te laten voortduren. In dit tweede artikel in een serie van drie gaan we in detail in op dit US-GAO rapport wat betreft de kostenverhogingen en de mogelijke basis voor een “consortium buy”.

Ontwikkelingskosten 50% hoger

Voor het vijfde achtereenvolgende jaar rapporteert de US GAO een stijging van de ontwikkelingskosten: “JSF development will cost more and take longer than reported to the Congress last year, and DOD wants to accelerate procurement. Two recent estimates project additional costs ranging from $2.4 billion to $7.4 billion and 1 to 3 more years to complete development.”
Zelfs het JSF Program Office denkt dat het jaar extra, tot 2014 en een extra bedrag van US$ 2,4 miljard, voor de ontwikkelingsfase voldoende is. Zowel het Joint Estimate Team (JET), een team calculators van het Pentagon dat het hele JSF project in 2008 opnieuw doorrekende, als de US GAO denken dat de JSF Program Office te optimistisch is over het testen en over de kosten van de ontwikkelingsfase (SDD fase). Het Joint Estimate Team (JET) meent dat minstens 2, mogelijk 3 jaar extra nodig zijn en een bedrag van US$ 7,4 miljard. Het US GAO steunt deze berekeningen. Hierdoor komen de ontwikkelingskosten op US$ 51,8 miljard, 17% hoger dan vorig jaar april begroot en ruim 50% hoger dan ooit begroot. Het verschil wordt verklaard doordat JET uit gaat van de ontwikkeling van een tweede motor (de F136), en uitgaat van hogere personeelskosten voor testen en ontwikkeling, hogere arbeidstijden in de productie en toename van de kosten voor software ontwikkeling.

Hoge ontwikkelkosten bedreigen commerciële kansen

De financiële buffer voor de SDD fase is nu al tot een minimum geslonken. Deze toename van de ontwikkelingskosten heeft een prijsverhogend effect voor niet-JSF partnerlanden die de F-35 willen kopen. Bij een productie van 2.500 toestellen bedragen alleen de het element ontwikkelingskosten in de prijs al ruim US$ 20 miljoen per toestel. Dit bemoeilijkt de exportkansen.
De JSF Program Office denkt dat het Pentagon (JET) en de US GAO te pessimistisch zijn, omdat de JSF enorm zal profiteren van de ervaringen opgedaan met het testen van de F-22. Dit wordt al jaren volgehouden, maar enige basis in de realiteit is hier niet voor. Zo zou de F135 motor een afgeleide zijn van de al beproefde F119 motor. In de praktijk zijn er enorme problemen, juist dit “beproefde” onderdeel is een van de hoofdoorzaken voor aanzienlijke vertragingen en recent bleek dat zelfs een aanzienlijk herontwerp nodig zal zijn van deze F135 motor. De optimistische verwachting van het JSF Program Office lijkt dus niet meer te zijn dan “wishfull thinking”.

Aanschafkosten inmiddels 55% hoger

Hoewel de US GAO dus wel een doorrekening heeft gedaan van de eerste productiejaren, heeft dit jaar een doorrekening van het totale aanschafbedrag voor 2443 Amerikaanse toestellen (nog) niet plaats gevonden. Omdat de Pentagon nog geen actuele gegevens kon verstrekken van de situatie per december 2008 voor dit in maart verschijnende rapport, is het cijfermateriaal nog gebaseerd op de situatie van december 2007 (dus loopt een jaar achter op de realiteit).
Die realiteit in december 2008 laat zien dat het totale project US$ 314 miljard gaat kosten voor 2443 Amerikaanse toestellen. Dat betekent dat de Program acquisition unit cost (totale prijs per stuk van de JSF) gemiddeld uitkomt op US$ 128 miljoen (schatting in 2001 was US$ 81 miljoen, een stijging van 58%). De gemiddelde prijs exclusief ontwikkelingskosten komt op US$ 107 miljoen per stuk (schatting in 2001 was US$ 69 miljoen, een stijging van 55%).

Defensiebegrotingen rekenen met oude, ongecorrigeerde prijs

In de defensiebegrotingen van de diverse partnerlanden wordt veelal nog met de oude prijs gewerkt. Nederland is daarvan een goed voorbeeld. In de Nederlandse defensiebegroting wordt nog steeds gewerkt met de al die jaren nauwelijks door het JSF Program Office gecorrigeerde prijzen van 2001 en wordt geen rekening gehouden met deze 55% prijsstijging. Reden: JSF Program Office heeft dit tot nu toe nooit “officieel” aan ons gemeld, en tot die tijd houden we eraan vast dat het zal kloppen. Zelfs deze week meldt defensie aan de Kamer nog dat de “kale kostprijs” van de F-35A US$ 49,5 miljoen zal bedragen (prijspeil 2002, dus exclusief inflatie). Er wordt dus gerekend met slechts 33% stijging, in plaats 55%. De gegevens van de US-GAO en Pentagon gegevens wil staatssecretaris van defensie Jack de Vries niet gebruiken omdat ze “uitgaan van de Amerikaanse situatie”. Alsof Nederland die zou kunnen negeren.
Twee denkfouten maken de opstellers van de defensiebegroting hierbij, al dan niet bewust. Allereerst moet gewerkt worden met de juiste prijs. De gemiddelde F-35A “kale kostprijs” (Unit Recurring Flyaway) was in 2001 US$ 37 miljoen, dat was 45% van de gemiddelde prijs (PAUC). Waar de PAUC nu US$ 128 miljoen bedraagt en de kale kostprijs percentagegewijs statistisch gezien door de jaren heen tamelijk constant is gebleven, moet als gemiddelde kale kostprijs voor de F-35A nu dus US$ 57,6 miljoen gelden (inclusief inflatie). De actuele gemiddelde all-in prijs bedraagt dient dan, op basis van historische gegevens voor een F-35A met een factor 1,7 vermenigvuldigd te worden en komt uit op US$ 100 miljoen (prijspeil 2008).

Consortium buy: F35A’s gemiddeld US$ 128 miljoen in 2012-2017

De tweede denkfout is het gebruik van een gemiddelde prijs. Deze is bepaald over de hele levensduur van het project, tot 2034. In de eerste jaren is de prijs echter aanzienlijk hoger. In dit licht is een tabel op bladzijde 11 van het rapport verhelderend. In de voor de KLu relevantie tijdsperiode van bestellen van de eerste series (Fiscaal jaar 2010-fiscaal jaar 2015) is sprake van een totaal bedrag van US$ 93 miljard voor 654 F-35’s bij verhoogde aankopen, zonder bezuinigingen. De gemiddelde prijs komt uit op US$ 142 miljoen per F-35 JSF, all-in. Nadere bestudering van cijfers leert dat specifiek voor de (goedkopere) F-35A een gemiddeld prijs geldt van US$ 128 miljoen (ruim € 95 miljoen per F-35A). Dit kan een indicatie zijn voor een prijs die zal gelden wanneer Nederland 37 stuks koopt in de voorgestane “consortium buy” met 8 andere landen.
Daarbij is het onduidelijk volgens de US-GAO wanneer een vaste prijs kan worden gegeven en hoe een dergelijke vaste prijs vastgesteld moet worden. De US-GAO denkt dat pas ergens tussen 2011-2013 de overgang naar vaste prijs contracten kan plaats vinden, als het ontwerp zich bewezen heeft door voldoende testen en de productie plaats kan vinden tegen voorgecalculeerde kostendoelen.

Zie tevens:
Donderdag, 19-mar-2009; Deel 1 “Risico overlap testen en productie”
Zaterdag 21-mar-2009: Deel 3 “Inefficientiës in de productie; software risico’s”

Bron:
US-GAO; 12-maart-2009; “Accelerating Procurement before Completing Development Increases the Government’s Financial Risk

JSFNIEUWS090318-Redactieteam

Een reactie op dit bericht...

Mrt 20 2009

Volkel stuurt brief aan Kamer over geluid

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Aanschaf JSF

Den Haag – Nadat eerder de bewoners rond Leeuwarden in actie kwamen om hun zorgen over het geluidsniveau te uiten, is nu vanuit de gemeente Uden een brief gestuurd aan de vaste commissie voor defensie van de Tweede Kamer om de zorgen over het geluidsniveau onder de aandacht te brengen. De Kamer heeft overigens gevraagd om een volledig geluidsonderzoek en neemt geen genoegen met het beperkte NLR rapport van 16 maart 2009.

De brief van de Gemeente Uden aan de Tweede Kamer spreekt tamelijk voor zich en luidt als volgt (we laten hieronder de integrale tekst volgen):

Geachte commissieleden,

Nogmaals willen wij u hartelijk danken voor uw bezoek aan Volkel op maandag jongstleden. Tijdens dit bezoek heeft u ondervonden dat de inwoners constructief staan ten opzichte van de aanwezigheid van Vliegbasis Volkel. Hun geduld dreigt echter op te raken en de frustratie groeit. Wij hebben de hoop en verwachting dat u, waar u kunt, gaat bijdragen aan de voortgang van de noodzakelijke procedures en uw ondersteuning geeft om te komen tot duidelijkheid over de mogelijkheden om de leefbaarheid in de kern Volkel te verbeteren.

Afgelopen maandag werd voor ons, tegelijk met uw werkbezoek, ook het NLR-rapport “Beoordeling geluidsgegevens kandidaattoestellen VF-16” bekend. De bevindingen die in het rapport worden gesteld van de vergelijking van geluidsbelasting door de F16, de JSF en de SAAB zijn zeer algemeen van aard en niet specifiek genoeg voor de situatie in Volkel. Juist de geluidsbelasting van de omgeving van Vliegbasis Volkel is voor ons het allerbelangrijkste en die wordt niet duidelijk met dit rapport. Wij willen niet dat het woon- en leefgenot verder wordt aangetast door extra geluid.

Volgens het NLR-rapport is slechts één specifieke passage van vliegtuigen vergeleken, zonder start- en landingsvluchten en slechts op grond van het maximale geluidsniveau. In Nederland wordt de geluidsbelasting door jachtvliegtuigen echter vooral bepaald door startende en landende vliegtuigen: aantallen vluchten, tijdstip van de vluchten en het maximale geluidsniveau tijdens de vlucht op een bepaald waarneempunt.

Het NLR is momenteel bezig met verwerking en analyse van aanvullende JSF-informatie om deze te representeren door een 35 Ke-contour voor Vliegbasis Volkel en Vliegbasis Leeuwarden. Naar onze mening is uitstel van besluitvorming over de F16-opvolger gerechtvaardigd tot deze representatie beschikbaar is. Het rapport geeft nu dus geen duidelijkheid over de geluidsbelasting in Volkel en omgeving en mogelijke consequenties voor de geluidscontouren. Wij vinden dat eerst duidelijk moet zijn wat de opvolger van de F16 betekent voor het woon- en leefklimaat van de inwoners van het dorp én de regio. Zonder deze informatie kan de Tweede Kamer geen goed besluit nemen.

Overigens is de beleving van geluidhinder de laatste jaren niet representatief voor de situatie waarbij de geluidsruimte van Vliegbasis Volkel geheel zou worden “volgevlogen”. Door diverse oorzaken zijn vliegbewegingen de laatste jaren elders uitgevoerd en is er relatief weinig gevlogen vanaf Vliegbasis Volkel. De luchtmacht kan in principe gebruik maken van het totaal aan geluidsruimte, wat meer vliegbewegingen betekent en dus meer geluidsbelasting van de omgeving. Ook dat betekent een toename van hinder. Belangrijk is dat ook de geluidscontouren uit de nieuwe MER als maximaal worden beschouwd. Nieuwe beperkingen zijn onaanvaardbaar.

Leefbaarheid op het spel.
Uit onderzoek blijkt dat Volkel in snel tempo vergrijst. Jongeren die graag in Volkel willen blijven wonen zien zich genoodzaakt elders een woning te zoeken. Voor ouderen die kleiner zouden willen wonen zijn geen geschikte woningen in Volkel beschikbaar. Door de vliegroutes beperkt te verleggen zou er op Niemeskant ruimte komen voor nieuwbouw. Daarnaast zou een versoepeling van de regels het mogelijk maken om in het centrum senioren- en zorgwoningen te realiseren. Beide mogelijkheden hebben een groot positief effect op de verlichting van de woningnood en verhogen de leefbaarheid in Volkel.

Verder is voor de leefbaarheid een snelle vaststelling van de Milieu Effect Rapportage (MER) cruciaal. Dit mag niet verder stagneren door de keuze van de F16-opvolger. Uit de MER blijkt dat de Niemeskantvariant de voorkeursvariant is. Deze milieuvriendelijkste variant biedt het dorp sinds 1986 eindelijk weer zicht op woningbouw. Volkel wil dus wél extra woningen maar géén extra geluid!

Samenvattend verzoeken wij u:
1. pas een besluit te nemen over de F16-opvolger als er duidelijkheid is over de geluidsconsequenties van het te kiezen toestel voor de directe omgeving van Vliegbasis Volkel. Uitgangspunt hierbij is geen extra geluidbelasting;
2. de voortgang van de MER en het Luchthavenbesluit Volkel te bespoedigen. Opnieuw vertraging in de MER-procedure is onacceptabel en zal negatieve gevolgen hebben voor het draagvlak voor de vliegbasis bij de Volkelse gemeenschap en daarbuiten;
3. inhoudelijk de Niemeskantvariant van de MER te steunen. Deze is immers de meest milieuvriendelijke en tevens voorkeursvariant met de minste geluidgehinderden en de minste woningen binnen de geluidszone.

Tot slot rekenen wij op uw inzet voor de leefbaarheid van Volkel: wél extra woningen maar géén extra geluid!

Hoogachtend, (René Peerenboom/ Wethouder woningbouw en milieu)

Kamer wil volwaardig onderzoeksrapport geluid

Nadat Staatssecretaris De Vries maandag een rapport van het NLR over het geluid naar de Kamer stuurde, was de reactie breed afwijzend vanwege de beperktheid van het rapport. Dit komt volgens De Vries door gebrek aan medewerking van de fabrikanten. De vaste Kamercommissie voor Defensie legt zich daar niet bij neer. In een brief vraagt de commissie nu om zo spoedig mogelijk een volwaardig rapport naar de Kamer te zenden. De Kamer wil tevens weten hoe het onderzoek en de metingen zijn bekostigd.

JSFNIEUWS090320-JG/jg

Een reactie op dit bericht...

Mrt 19 2009

Amerikaanse Rekenkamer: risico overlap testen en productie (deel 1)

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Ontwikkeling JSF

Arlington, VA (USA)/Den Haag – De Amerikaanse Rekenkamer (US-GAO) bracht vorige week het vijfde rapport uit inzake het JSF Programma. Met name de overlap tussen testen en productie wordt als risico gezien; de US GAO verwacht dat de ontwikkelfase twee jaar extra, tot 2016, zal vergen. Tevens dringt de Rekenkamer aan op het snel realiseren van vaste prijs contracten om de voor de belastingbetaler risicovolle niet bindende prijs contracten niet te lang te laten voortduren. In drie artikelen gaan we in detail in op dit US-GAO rapport.

Introductie

De Amerikaanse Rekenkamer (U.S. Government Accountability Office ofwel US-GAO) bracht donderdag 12 maart 2009 een nieuw rapport uit over de F-35 Joint Strike Fighter (JSF) met de prikkelende titel “Accelerating Procurement before Completing Development Increases the Government’s Financial Risk”. Opmerkelijk feit deed zich voor dat vrijdag enkele uren na verschijnen het rapport van de website werd gehaald om er pas vrijdagavond laat weer op te verschijnen. Voor ieder die op enigerlei wijze betrokken is bij de verwerving van de JSF is het belang om een goede studie te maken van het US-GAO rapport, en zich daarbij niet te beperken tot de management samenvatting aan het begin. De juiste beslissingen nemen op het juiste tijdstip bij de verwerving van de JSF is van het grootste belang voor de NATO defensie organisaties, gelet op het feit dat de JSF decennialang de ruggengraat van de NATO luchtmachten zal vormen. Omdat niet iedereen de moeite zal nemen het complete rapport te downloaden en te lezen werken we in dit artikel met een aantal citaten van de kernpunten uit de samenvatting en geven daar een toelichting bij.

Het US-GAO rapport van vorig jaar, maart 2008

Wie zich het US-GAO rapport herinnert van vorig jaar, herinnert zich de voorspelling van vertragingen, aanzienlijke kostenoverschrijdingen, gebrekkige boekhoudmethoden en de benoeming van tal van risico’s in het projectmanagement, de productie en het testprogramma.
Maar de US-GAO werd door het JSF Program Office en door het Pentagon, en in Nederland openlijk door Staatssecretaris van Defensie Jack de Vries neerbuigend neergezet in de trant van “Ach, de Amerikaanse Rekenkamer, organisatie van beroepspessimisten, die baseert zich op oude gegevens, het valt wel mee, US-GAO weet niet de juiste cijfers”. Een maand later, in april, maakte de JSF Program Office al bekend dat de ontwikkeltijd “mogelijk” een jaar langer zou worden. En nu een jaar later blijkt de Amerikaanse Rekenkamer het op vrijwel alle relevante en door hen in 2008 gesignaleerde punten bij het rechte eind te hebben. Extra reden om de US GAO, dit instituut van democratische controle, niet opnieuw te negeren en conclusies uit hun rapport dit jaar weer te bagatelliseren. Het verdient aandacht dat tot op heden de uitkomsten uit het viertal US-GAO rapporten over de JSF nog steeds zijn uitgekomen, jaar na jaar. En in het verleden bleek de US-GAO het bij het rechte eind te hebben met hun rapporten inzake de F-22 Raptor, de B-2 bommenwerper, de Comanche helicopter en de V-22 Osprey helicopter (25 jaar ontwikkeling, 150 miljard dollar, 80 stuks gebouwd). Inderdaad, de US-GAO zijn beroepspessimisten, maar de realiteit bleek dat pessimisme telkens te bevestigen.

Teststrategie risicovol

Een van de meest opvallende thema’s, in 2008 al nadrukkelijk aan de orde gesteld is de teststrategie. De US GAO schrijft hierover: “DOD’s revised test plan adds a year to the schedule, better aligns resources and availability dates, and lessens the overlap between development and operational testing, but it still allows little time for error discovery and rework. DOD’s decision late in 2007 to reduce test aircraft and flight tests adds to risks while any additional delays in delivering test aircraft will further compress the schedule. The revised plan relies on state-of-the-art simulation labs, a flying test bed, and desk studies to verify nearly 83 percent of JSF capabilities. Only 17 percent is to be verified through flight testing. Despite advances, the ability to so extensively substitute for flight testing has not yet been demonstrated.
Maar waarschuwt het US-GAO: “By then, DOD plans to have purchased 62 operational aircraft and will be ramping up procurement.” En tevens is het simultaan lopen van veel testwerk en dus het gelijktijdig van meer op elkaar in werkende, aan de oppervlakte komende ontwikkelingsproblemen een risico. De US-GAO tekent daarbij aan dat het testplan opgesteld door het JSF Program Office weinig ruimte biedt voor foutdetectie en foutherstel.

Testen JSF is vooral simulatie en analyse

Wanneer we nagaan dat er 460 JCS Specification Requirements; 1554 Verification Objectives en 3116 Success Criteria benoemd zijn in het JSF project en we realiseren ons dat slechts 17% daarvan in de harde, weerbarstige praktijk van fysiek testvliegen zal worden bevestigd, een historisch en uniek novum in de industriële productie van een complex product, gaat nadenken en rekenen. . Puur vertrouwen op grondtests in deze mate is nog nooit bewezen als vervanging voor werkelijke fysieke testvluchten, zo stelt daarom de US-GAO. Het vertrouwen op computerberekening, simulaties en grondlaboratoria is ongekend. Zelfs 19% van de testcriteria wordt alleen middels analyse vanachter het bureau geverifieerd, niet meer dan dat. Per ultimo 2008 is slechts 1% van dat fysieke testvliegen uitgevoerd, dat is omgerekend 0,17% van het totale test- en verificatieprogramma getest middels fysiek testen. En dan nog grotendeels met een niet-productierepresentatief, structureel aanzienlijk te veranderen prototype, de JSF AA-1. Desondanks is de productie begonnen en blijven de officials van het JSF Program Office en de fabrikant optimistisch: “Officials expect to deliver all test aircraft and fix many problems by 2010″.

Overlap testen en productie groot risico

De US-GAO ziet de aanzienlijke overlap tussen testen en aanvang van productie als een groot operationeel en financieel risico: “Significant overlap of development, test, and procurement results in DOD making substantial investments before flight testing proves that the JSF will perform as expected. Under the accelerated procurement plan, DOD may procure 360 aircraft costing an estimated $57 billion before completing development flight testing.”
Dit wordt toch doorgezet, ondanks planningsproblemen, sterker nog het Pentagon maakte in de herfst van 2008 zelfs plannen de productie versneld te verhogen: “Despite cost and schedule troubles, DOD wants to accelerate JSF procurement by 169 aircraft from fiscal years 2010 through 2015; this could require up to $33.4 billion in additional procurement funding for those 6 years. DOD plans to procure hundreds of aircraft on cost-reimbursement contracts, magnifying the financial risk to the government.
Met name het feit dat het hier tot 2015 om een extra impuls gaat van US$ 33,4 miljard ofwel US$ 197 miljoen per JSF in de vroege productiefase en dat op een soort nacalculatiebasis vindt de US-GAO een kwalijke zaak. Ze ziet dit als een bewijs dat fabrikant Lockheed Martin kennelijk zelf (nog) geen risico durft te nemen in dit stadium en dit risico op deze wijze afwentelt op de belastingbetaler. Overigens lijkt dat in het huidige begrotingsklimaat onder president Obama nauwelijks verdedigbaar.

Pentagon niet eens met deze US-GAO conclusie

In een aan het rapport toegevoegde reactie, gedateerd 5 maart geeft David Ahern van de Office of the Under Secretary of Defense’s director for portfolio systems acquisition aan dat hij vraagtekens heeft bij de cijfers van de US-GAO: “Since the FY 2010 President’s budget had not yet been submitted to Congress at the time of the draft report, the fact is that much of the data that the GAO used as the basis of their report and to support its recommendation was pre-decisional, the JSF program of record remained as submitted in the FY 2009 President’s Budget, adjusted by the FY 2009 Defense Appropriations Bill. The department believes that the GAO’s use of pre-decisional budget information to support its findings is largely conjectural, and likely to create confusion if the final FY 2010 program of record is different than what the GAO reported.” Kortom, David Ahern vindt dat de US-GAO cijfers, nog gebaseerd op hun onderzoek van eind 2008 verwarring kan scheppen, omdat de echte begrotingscijfers voor 2010 anders zullen uitwijzen.

Plannning volgende publicaties over Amerikaanse Rekenkamerrapport JSF 2009 (onder voorbehoud):
Vrijdag, deel 2 “Prijsverhogingen en consortium buy”
Zaterdag, deel 3 “Inefficienties in de productie; software risico’s”

Bron:
US-GAO; 12-maart-2009; “Accelerating Procurement before Completing Development Increases the Government’s Financial Risk

JSFNIEUWS090318-Redactieteam

Nog geen reacties op dit bericht. Vragen of opmerkingen zijn welkom!

Mrt 19 2009

UK koopt eerste drie F-35B Joint Strike Fighters

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Aanschaf JSF

Inverness (UK) – De Britse minister van defensie heeft tijdens een bezoek aan Washington het definitieve contract getekend voor 3 F-35B JSF toestellen. Hiermee is de Britse deelname aan de IOT&E fase veiliggesteld, ondanks langdurige en grote druk van het Lagerhuis om er vanaf te zien. Onderdelen voor tweede Nederlandse testtoestel eveneens gecontracteerd.

Minister van Defensie bezocht Washington om te overleggen met Pentagon topman Robert Gates over de Britse rol binnen de nieuwe Amerikaanse strategie voor Afghanistan, die binnenkort wereldkundig wordt gemaakt. Aan het eind van de bijeenkomst zei Hutton tegen de verzamelde pers terloops: “I’ve also got some good news today for the U.K.-U.S. special relationship, I formally agreed to purchase three F-35’s”. Bij verder vragen gaf hij aan het contract daadwerkelijk ondertekend te hebben. Hutton noemde de JSF “an essential part of our Future Combat Air Capability” en voegde daaraan toe: “Working alongside their US colleagues, our pilots will gain an unrivalled understanding of this awesome aircraft and its capabilities.”

Eerste buitenlandse order voor JSF’s

Dit is de eerste buitenlandse order voor de Joint Strike Fighter, waarvoor nu totaal 17 definitieve orders binnen zijn. Het Verenigd Koninkrijk houdt daarmee vast aan de afspraken inzake de F-35 Joint Strike Fighter, ondanks massieve druk op het defensiebudget en grote twijfels in het Lagerhuis of het niet beter is de beslissing uit te stellen.
Doordat de Britse parlementaire systematiek iets anders werkt was geen specifieke toestemming meer nodig. Er vindt achteraf verantwoording plaats. Het Britse Ministerie van Defensie wil geen gegevens loslaten over het bedrag van het nu definitief getekende contract vanwege “commerciële vertrouwelijkheid” Maar uit eerdere parlementaire gegevens (hoorzittingen) blijkt dat het om minimaal ruim US$ 600 miljoen gaat, circa US$ 200 miljoen per F-35B toestel.
De Britten zijn de partner die het meest verweven zijn met het JSF project. Ze zijn de enige level-1 partner en betalen 2 miljard Engelse ponden mee aan de ontwikkelingsfase. Zowel Rolls Royce als BAe Systems zijn belangrijke toeleveranciers met een miljarden aandeel in de productie. Bovendien zijn er twee 65.000 ton metende en miljarden kostende vliegdekschepen in aanbouw, speciaal geschikt voor de JSF. De oude Harrier toestellen zullen rond 2012-2014 daadwerkelijk uitgefaseerd moeten worden, gelet op de technische situatie van dit oorspronkelijk uit de jaren zestig stammende toestel. De operationele noodzaak is dus groot.

Na herhaaldelijk uitstel toch akkoord

Het Investment Appraisals Board, het belangrijke orgaan binnen het Britse Ministerie van Defensie dat de materieelaankopen moet goedkeuren zou eerst naar verwachting in januari 2009 een aanbeveling doen tot koop van de drie JSF’s om te voldoen aan het met het JSF Program Office overeengekomen productieschema. In februari vond opnieuw uitstel plaats van de goedkeurende beslissing.
Een meerderheid van de Britse House of Commons Defence Investment Approval Board was allerminst overtuigd van de noodzaak zo vroeg (2011) al over JSF’s te beschikken en wilde minimaal een jaar uitstel van de definitieve ondertekening van het koopcontract. Een deel wilde zelfs de IOT&E fase pas organiseren in 2015 tegelijk met de aanschaf van de eerste productietoestellen. Door de grote industriële belangen was de druk vanuit de Britse defensieindustrie immens om toch akkoord te gaan, gelet op de deplorabele toestand van de economie vanwege de kredietcrisis. Uiteindelijk heeft de vasthoudende defensieminister John Hutton het pleit voor de eerste JSF order gewonnen.

Vervroegde koop 1 Brits toestel

Het gaat om een drietal F-35B’s, die deel uitmaken van de derde aanloop productie serie (LRIP-3). Levering moet plaats vinden in 2011 en begin 2012 om deel te gaan uitmaken van het IOT&E team dat het aanvullende operationele testwerk in het kader van de ontwikkelingsfase van medio 2013 tot medio 2014 moet verrichten.
Oorspronkelijk zou het Verenigd Koninkrijk 2 toestellen in de LRIP-3 en 1 toestel in de LRIP-4 serie kopen, dit is nu veranderd in 3 toestellen in de LRIP-3 serie. Vorige week werd het contract vrijgegeven voor de long-lead items voor de vierde aanloop productie serie (LRIP-4); daarbij viel al op dat er geen onderdelen voor een Britse F-35B in stonden, zoals nu blijkt is dit toestel naar voren gehaald door de Britten en nemen ze een eerder door het Amerikaanse congres geschrapte F-35B voor de US Marines uit de LRIP-3 over. Dit voorkomt dat eind 2009 opnieuw discussie ontstaat of wel of niet de volgende F-35B aangeschaft moet worden.

Overzicht productiestatus JSF

Aanloopserie 1 (LRIP-1) : 2 orders (planning was 5, geschrapt 3)
Aanloopserie 2 (LRIP-2) : 12 orders (planning was 18, geschrapt 6)
Aanloopserie 3 (LRIP-3) : 18 orders (planning was 52, geschrapt 34)
Aanloopserie 4 (LRIP-4) : 28 orders (planning was 70, geschrapt 42)
Totaal eerste vier series: 60 orders (planning was 145, geschrapt 85)
De Nederlandse orders voor testtoestellen (1 in LRIP-3 en 1 in LRIP-4) worden naar verwachting pas in respectievelijk april 2009 en februari 2010 contractueel bevestigd.
In het contract voor de LRIP-4 long-lead items blijkt dat deze onderdelen voor het tweede Nederlandse testtoestel nu eveneens zijn gecontracteerd. Dit is conform de afspraken met de Tweede Kamer in mei 2008. De orders voor LRIP-4 zijn nog niet 100% vast, het gaat om de zogeheten “long lead” items.

Referenties:
Lancashire Evening Post; 18-mar-09; David Coates; “Jet boost for Lancashire workers
Flight International; 18-mar-09; Craig Hoyle; “UK signs for first three F-35B Joint Strike Fighters
AFP; 18-mar-09; “Lockheed Martin F-35 Fighter Aircraft

JSFNIEUWS090319-NS/nb

Nog geen reacties op dit bericht. Vragen of opmerkingen zijn welkom!

Mrt 18 2009

Boeing onthult nieuwe F-15 Silent Eagle

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Aanschaf JSF

UPDATED 19-mar-09

Williamsburg, VA (USA) – Boeing Company onthulde op 17 maart 2009 een “stealthy” variant van de bekende F-15, de F-15SE Silent Eagle. Enkele opvallende kenmerken maken het tot een potentiële concurrent van de JSF in bepaalde (Aziatische) markten.

Volgens Boeing hebben ze de F-15 Silent Eagle ontworpen om tegemoet te komen aan de behoefte van internationale klanten voor toepassing van kosten effectieve stealth eigenschappen in combinatie met een beproefd vliegtuigconcept dat voldoende wapenlast mee kan nemen en een ruim vliegbereik heeft.
Verbeteringen betreffen toepassing van stealth eigenschappen middels radar absorberende coatings, zogeheten “conformal” brandstof tanks dicht tegen de romp en het toevoegen van interne wapenruimen voor een beperkt assortiment wapens (JDAM’s, SDB’s, AIM-9X en AIM-120). De iets onder een hoek geplaatste staartvlakken verbeteren de aerodynamische efficiency en reduceren het gewicht. Tevens is een uitgebreid pakket van de nieuwste avionics voorzien (Electronic Warfare middelen, AESA radar, enzovoorts).
Bedoeling is dan een eerste prototype begin 2010 de eerste vluchten maakt, inclusief test launches van lucht-lucht wapens. De frontale stealth zou niet onderdoen voor de JSF. Hoe stealth de F-15SE wordt voor exportlanden, hangt af van de toestemming van de Amerikaanse regering omtrent toepassing van stealth-technieken, deze toestemming is, evenals bij de JSF, niet voor elk land gelijk. De ene exportversie kan dus meer stealth worden dan de andere.
Een volledige mediapresentatie van Boeing is te zien via deze DEW line slide-link.

Bedreiging op JSF markt

Boeing lijkt zich met het toestel te richten op landen die in het verleden ooit belangstelling toonden voor de JSF, maar die vanwege de mogelijk tot 2015-2016 (bron Pentagon, Joint Estimate Team, maart 2009) verlengde ontwikkeltijd niet langer kunnen wachten met het vervangen van verouderde toestellen. Vooral voor landen die al gewend zijn aan de F-15 Eagle is het een interessante optie, vanwege standaardisatie, opleidingen en logistiek. Voor Nederland en andere kleine NATO landen is de F-15SE Silent Eagle geen realistische optie. Maar binnen de kring van bestaande F-15 gebruikers wordt de exportmarkt voor 240-400 JSF’s mogelijk bedreigd en raakt het aantal van 4.500 of meer JSF toestellen steeds verder uit het zicht.

Landen waar het om gaat en die potentieel in de markt zijn voor JSF’s:

Singapore; behoefte 50 JSF’s
Vliegt al met hypermoderne F-15SG, zie artikel “Singapore: Voorlopig geen JSF, maar F-15SG

Israël: behoefte aan 25-75 JSF’s
Langdurig en tevreden gebruiker van de F-15I met toevoeging van tal van Israëlische hardware; heeft op dit moment een patstelling met de USA over de tegenvallende prijs van de JSF van meer dan US$ 100 miljoen. Zie artikel uit november over de aankondiging van een mogelijke koop en tevens “Definitief nee tegen Israëlische eis aanpassen JSF”. In de F-15 kan Israël wel naar believen zelf systemen inbouwen, wat voor hen een belangrijke eis is.

Japan: behoefte aan 75-100 JSF’s
Wil liefst F-22 Raptors, twijfelt al enige tijd of JSF goede optie is voor Japan.Met de F-15SE Silent Eagle richt Boeing zich dan ook primair op de lopende Japanse F-X competitie. Gebruikt al F-15 straaljagers (203 F-15J’s en 20 F-15DJ’s). Licentiebouw vond plaats in Japan bij de Mitsubishi fabriek. Dat maakt de F-15 Silent Eagle in Japan extra kansrijk ten koste van de JSF. Zie ook artikel “Japan: uitstel JSF en voorlopig keuze tussenoplossing

Saoedi-Arabië 50-100 JSF’s
Op lange termijn zou Saoedi-Arabië een potentiële JSF klant zijn. Het potentieel was al teruggebracht door de keuze van Saoedi-Arabië voor de Eurofighter in 2007. Dit land is potentieel klant voor de F-15, het heeft al een grote vloot van dit toestel in gebruik (57 F-15C’s, 25 F-15D’s en 71 F-15S’n).

Zuidkorea: behoefte 80 JSF’s
Heeft in april 2002 nog 40 Boeing F-15K’s en in 2009 nogmaals 21 Boeing F-15K gekocht.
In juni 2008 aangegeven te twijfelen over JSF. Ooit werd de behoefte geschat op 80 stuks, deze is al teruggelopen door de recente verwervingen van F-15’s. De resterende F-X3 batch omvat 60 toestellen, waarvoor begin 2010 een Request for Proposal wordt verwacht met een contract begin 2011.
Zie ook: “Nieuwe Zuidkoreaanse F-15K order betekent uitstel JSF order

Bronnen:
Persbericht Boeing Company; St.Louis, USA; 17-mrt-2009
Markt voor JSF, prognose 2001 en realiteit 2008
Eric Palmer; 18-mrt-2009 “F-35 Export stealth revisit

JSFNIEUWS090318-GK/jg

Nog geen reacties op dit bericht. Vragen of opmerkingen zijn welkom!

Mrt 18 2009

Goedemorgen Nederland over Hete Hangijzers

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Aanschaf JSF

Den Haag - Voor degenen die het vanochtend gemist hebben, attenderen we op de TV uitzending van KRO’s Goedemorgen Nederland over de JSF. Aan het woord Bert Kreemers, auteur van het boek “Hete hangijzers - De aanschaf van Nederlandse gevechtsvliegtuigen”. Vandaag was hij hierover kort aan het woord op TV en vertelde dat er feitelijk niets nieuws is onder de zon bij de plannen voor aanschaf van de nieuwe “Hete Hangijzers”, de JSF’s.

Bert Kreemers en Hete hangijzers

Op 10 februari is Bert Kreemers gepromoveerd aan de Rijksuniversiteit Leiden. In Hete Hangijzers vertelt Bert Kreemers over de missers, uitglijders en complicaties die Haagse politici bij de besluitvorming over de aanschaf op het verkeerde been zetten. Aan de hand van nieuw onderzoek in tot dusver hermetisch gesloten Amerikaanse en Nederlandse archieven wordt een onthullend kijkje gegeven in de keuken van de luchtmacht en van de rivaliserende vliegtuigbouwers. Pogingen om destijds Tweede Kamerleden om te kopen worden in een nieuw daglicht geplaatst. Het boek is aantrekkelijk door de talrijke anecdotes rond betrokken personen en vlot en leesbaar geschreven. Het is feitelijk en historisch goed onderbouwd en geeft een goede inkijk in de aanschaf van de F-104, de F-5 en de F-16.
Zondermeer een aanrader voor iedereen die interesse heeft in de gebeurtenissen in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw rond onze Koninklijke Luchtmacht.

Hier de link naar de uitzending van Goedemorgen Nederland.

JSFNIEUWS090318-JG/jg

Nog geen reacties op dit bericht. Vragen of opmerkingen zijn welkom!

Volgende »