Archief van de april, 2011

Apr 08 2011

US GAO report 2011 released: JSF progress still lags

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Ontwikkeling JSF

The US Government Accountability Office (US GAO) has released the yearly report about the Joint Strike Fighter Program.

The report is titled “Restructuring Places Program of firmer footing; JSF Progress still lags

Here the summary of the report as issued by US GAO:

Development: 5 year slip; 26 cost increase

US Department of Defense continues to substantially restructure the JSF program, taking positive actions that should lead to more achievable and predictable outcomes. Restructuring has consequences–higher up-front development costs, fewer aircraft in the near term, training delays, and extended times for testing and delivering capabilities to warfighters. Total development funding is now $56.4 billion to complete in 2018, a 26 percent increase in cost and a 5-year slip in schedule compared to the current baseline.

Quantities reduced by US Forces; delayed purchases

DOD also reduced procurement quantities by 246 aircraft through 2016, but has not calculated the net effects of restructuring on total procurement costs nor approved a new baseline.

Near doubling of price and higher life cycle cost

Affordability for the U.S. and partners is challenged by a near doubling in average unit prices since program start and higher estimated life-cycle costs. Going forward, the JSF requires unprecedented funding levels in a period of more austere defense budgets.

Mixed success in testing

The program had mixed success in 2010, achieving 6 of 12 major goals it established and making varying degrees of progress on the others. Successes included the first flight of the carrier variant, award of a fixed-price aircraft procurement contract, and an accelerated pace in development flight tests that accomplished three times as many flights in 2010 as the previous 3 years combined. However, the program did not deliver as many aircraft to test and training sites as planned and made only a partial release of software capabilities. The short take off and landing variant (STOVL) experienced significant technical problems and did not meet flight test expectations. The Secretary of Defense directed a 2-year period to evaluate and engineer STOVL solutions.

After 9 years: no stable design demonstrated yet

After more than 9 years in development and 4 in production, the JSF program has not fully demonstrated that the aircraft design is stable, manufacturing processes are mature, and the system is reliable. Engineering drawings are still being released to the manufacturing floor and design changes continue at higher rates than desired. More changes are expected as testing accelerates. Test and production aircraft cost more and are taking longer to deliver than expected. Manufacturers are improving operations and implemented 8 of 20 recommendations from an expert panel, but have not yet demonstrated a capacity to efficiently produce at higher production rates. Substantial improvements in factory throughput and the global supply chain are needed. Development testing is still early in demonstrating that aircraft will work as intended and meet warfighter requirements.

Only 4% of capabilities demonstrated after 4 years of test flight

Only about 4 percent of JSF capabilities have been completely verified by flight tests, lab results, or both. Only 3 of the extensive network of 32 ground test labs and simulation models are fully accredited to ensure the fidelity of results. Software development–essential for achieving about 80 percent of the JSF functionality–is significantly behind schedule as it enters its most challenging phase. To sustain a focus on accountability and facilitate tradeoffs within the JSF program, GAO recommends that DOD (1) maintain annual funding levels at current budgeted amounts; (2) establish criteria for evaluating the STOVL’s progress and make independent reviews, allowing each variant to proceed at its own pace; and (3) conduct an independent review of the software development and lab accreditation processes. DOD concurred.

Source: US GAO; 7 april 2011

Nog geen reacties op dit bericht. Vragen of opmerkingen zijn welkom!

Apr 04 2011

F-35 flight test program shows progress in first quarter

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Global F35 News

FORT WORTH, Texas, April 4, 2011 - Lockheed Martin [NYSE: LMT] F-35 Lightning II test jets made considerable flight test progress during the first quarter of 2011, conducting 199 test flights versus a plan of 142 flights. Additionally, the F-35B short takeoff/vertical landing (STOVL) variant logged six times more vertical landings in the first quarter than in all of 2010. The test program remained ahead of plan despite the grounding of various test fleet aircraft for 4-15 days during the period as officials investigated the cause of a dual generator/starter failure during a flight on March 9.

The following totals and highlights provide a snapshot of flight test activity in
the first quarter:
- Conventional takeoff and landing (CTOL: F-35A) aircraft conducted 82 flights against the plan of 62.
- STOVL (F-35B) aircraft conducted 101 flights against a plan of 62.
- Carrier variant aircraft accomplished 16 flights of 18 planned.
- Two production-model aircraft, AF-6 and AF-7, flew for the first time in preparation for delivery to the U.S. Air Force this year. AF-6 and AF-7 flew seven times in the first quarter.
- The STOVL variant performed 61 vertical landings (compared with 10 vertical landings in all of 2010). BF-1 performed the first touch-and-go maneuver in VL mode this quarter.
- From the start of flight testing in December 2006 through March 31, 2011, F-35s have flown 753 times, including production-model flights.

Nog geen reacties op dit bericht. Vragen of opmerkingen zijn welkom!

Apr 04 2011

Kamervragen over dreigend einde F136 motor beantwoord

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Aanschaf JSF

Op vrijdag 1 april 2011 heeft de minister van Defensie, mede names de miniister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie antwoord gegeven aan de Tweede Kamer naar aanleiding van de schriftelijke vragen van de leden Jasper van Dijk (SP) en Eijsink (PvdA) over de JSF.

Antwoorden op vragen van de leden Jasper van Dijk (SP) en Eijsink (PvdA) aan de ministers van Defensie en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over de JSF (ingezonden 3 maart 2011, kenmerk 2011Z04264)

Vraag 1
Wat is uw reactie op het artikel ‘Nederlandse bedrijven lopen miljard mis door snijden in JSF’?

Vraag 2
Is het waar dat Nederlandse bedrijven mogelijk een miljard euro mislopen door het schrappen van het tweede-motorproject van de JSF? Zo nee, hoe kunt u dit scenario uitsluiten?

Vraag 3
Wat vindt u van het feit dat tijdens het debat voorafgaand aan de ondertekening van de Memorandum of Understanding System Design and Development (MOU-SDD) in 2002 werd gesuggereerd dat één miljard dollar aan orders te verwachten viel voor de F136 motor en waarin sindsdien veel geïnvesteerd is door Nederland, en dat nu zonder overleg onze Amerikaanse partner de spin-off mogelijkheid ongedaan maakt door de ontwikkeling van de F136 motor te schrappen?

Antwoorden 1, 2, 3
In februari 2010 heeft het Pentagon de conceptbegroting voor 2011 bekendgemaakt. Met deze begroting is voor het vijfde achtereenvolgende jaar besloten geen geld te reserveren voor de verdere ontwikkeling van de F136-motor van het Fighter Engine Team (FET). De F-136 is het tweede motortype voor de F-35 naast de F135-motor van Pratt & Whitney (P&W). Zoals bekend heeft het Congres tot en met de defensiebegroting voor 2010 steeds besloten toch geld beschikbaar te stellen voor de verdere ontwikkeling van de F136-motor.

Het Congres heeft de defensiebegroting voor 2011 nog niet vastgesteld. In februari jl. heeft het Huis van Afgevaardigden een voorstel afgewezen om alsnog budget toe te kennen voor de F136-motor. De Senaat heeft zich nog niet uitgesproken over de defensiebegroting voor 2011. In afwachting van verdere behandeling in het Congres heeft het Pentagon op 24 maart jl. besloten de financiering van het F136-programma voor 90 dagen op te schorten. In reactie hierop heeft het FET gemeld in deze periode de werkzaamheden zelf te financieren.

De gevolgen van de mogelijke beëindiging van het F136-motorprogramma zijn minder eenduidig dan in het artikel in de Volkskrant wordt gesuggereerd. Tijdens het notaoverleg van 2 april 2002 (Kamerstuk 26 488, nr. 12) is ten aanzien van beide motortypes de raming van de fabrikanten vermeld van de mogelijke omzet van Nederlandse toeleveranciers. Die raming bedroeg voor elk van beide motoren ongeveer $ 1 miljard. Dit bedrag berustte op de Amerikaanse uitgangspunten van een totale F-35 productie van 6.000 toestellen en 3.000 motoren voor elk van de motortypes.

Het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) hanteert een schatting van ongeveer 2.500 motoren voor elk van beide motortypes. Daarbij is uitgegaan van de Nederlandse, meer behoudende schatting van in totaal 4.500 toestellen en van de productie van reservemotoren. Dit komt neer op een mogelijk orderbedrag voor de Nederlandse industrie van ongeveer $ 750 miljoen per motortype. In de jaarrapportage van het project Vervanging F-16 over 2006 is hier nader op ingegaan (Kamerstuk 26 488, nr. 58). De overeenkomsten tussen het toenmalige ministerie van Economische Zaken en de motorproducenten, in de vorm van het Memorandum of Understanding met het FET en de Letter of Agreement met P&W, zijn op 16 oktober 2007 vertrouwelijk ter inzage van de Kamer gelegd (Kamerstuk 26 488, nr. 63).

Indien de ontwikkeling en productie van de F136-motor zouden worden beëindigd, moet voor de F135-motor rekening worden gehouden met ongeveer 5.000 motoren in plaats van ongeveer 2.500 motoren. De waarde van de Nederlandse opdrachten voor de F135-motor kan navenant toenemen mits de betrokken Nederlandse bedrijven voldoen aan het best value principe. Dit hoeft overigens niet alleen te leiden tot meer opdrachten voor de huidige toeleveranciers van de F135. Ook de huidige Nederlandse toeleveranciers voor de F136-motor kunnen in aanmerking komen voor werk voor de F135-motor. Daarbij geldt wel de voorwaarde dat er geen contractuele belemmeringen zijn uit hoofde van hun relatie met het FET en dat zij beschikken over capaciteiten die voor P&W van belang zijn.

Zoals reeds uiteengezet is de besluitvorming in het Amerikaanse Congres nog niet voltooid. Indien het F136-programma inderdaad wordt beëindigd, zal het ministerie van EL&I samen met de betrokken Nederlandse industrie de gevolgen in kaart brengen voor de opdrachten en de omzetverwachting. Zie ook het antwoord op de vragen 4 en 5.

Vraag 4
Hoe oordeelt u over het feit dat tijdens het debat voorafgaand aan de ondertekening van de Memorandum of Understanding Production Sustainment and Follow-on Development (MOU-PSFD) in 2006 contractueel werd overeengekomen dat partners in deze MOU-PSFD de keuzevrijheid hadden tussen - dan wel sprake zou zijn van productie van - de twee motortypes F135 en F136, en dat nu zonder overleg onze Amerikaanse partner de ontwikkeling van de F136 motor schrapt? Is hier geen sprake van contractbreuk? [iii]

Vraag 5
Heeft Nederland dezelfde vrijheid om overeenkomsten met de VS ongedaan te maken ten aanzien van de koop van de eerste testtoestellen of moet Nederland zich wel aan alle contracten houden? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoorden 4 en 5
Bij de totstandkoming van het PSFD-MoU zijn de betrokken landen ervan uitgegaan dat er voor de F-35 twee motoren zullen worden geproduceerd. De Amerikaanse regering kan gelet op de bepalingen van het MoU echter niet worden verhinderd de financiering van de verdere ontwikkeling van de F136-motor te stoppen. Wanneer de Verenigde Staten een dergelijk besluit zouden nemen is geen sprake van contractbreuk. Overigens zou de verdere ontwikkeling van de F136-motor volledig voor rekening komen van de Verenigde Staten, wat ook de afgelopen jaren het geval was.

Voor alle partijen die deelnemen aan een MoU geldt dat er kosten aan kunnen zijn verbonden als men zich zou terugtrekken. De procedures voor de verwerving van F-35 toestellen zijn vastgelegd in het PSFD-MoU. Indien een partnerland een contract voor de aanschaf van F-35 toestellen zou opzeggen dat door de Amerikaanse overheid ten behoeve van het partnerland is gesloten, zijn hieraan kosten verbonden. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan additionele kosten die ontstaan voor andere partnerlanden.

Vraag 6
Heeft oud-minister Van Middelkoop anderhalf jaar geleden druk uitgeoefend op de Amerikaanse regering om het tweede-motorproject te laten doorgaan?

Vraag 7
Is het waar dat president Obama en defensieminister Gates de tweede motor een ‘onnodige en extravagante uitgave’ noemden? Wat is hierop uw reactie?

Antwoorden 6 en 7
Nederland heeft de afgelopen jaren tijdens bilaterale contacten met de Verenigde Staten op zowel politiek als ambtelijk niveau het belang van de tweede motor voor het F-35 programma en voor de Nederlandse industriële participatie aan de orde gesteld. Het Pentagon is er niet van overtuigd dat de concurrentievoordelen van de tweede motor opwegen tegen de resterende ontwikkelingskosten voor de Amerikaanse overheid en acht het F136-programma mede in het licht van de in de Verenigde Staten benodigde bezuinigingen onnodig.

Vraag 8
Wat voor gevolgen heeft de bezuiniging van 3,5 miljard dollar op defensie in de VS voor de Nederlandse deelname aan het JSF-project?

Vraag 9
Klopt het dat de vertragingen in de ontwikkelingsfase van de JSF kunnen leiden tot nieuwe prijsstijgingen van de stuksprijs van de JSF? Worden de kosten van het tweede testtoestel hierdoor verhoogd? Zo ja, met welk bedrag?

Antwoorden 8 en 9
Het in vraag 8 genoemde bezuinigingsbedrag is bij Defensie niet bekend. Met de brief van 7 januari jl. en de jaarrapportage van het project Vervanging F-16 over 2010 van 17 maart jl. (Kamerstukken 26 488, nrs. 252 en 258) is de Kamer geïnformeerd over de maatregelen die minister Gates heeft genomen met betrekking tot het F-35 programma.

Het Pentagon heeft in januari jl. besloten een extra bedrag van $ 4,6 miljard uit te trekken voor de ontwikkeling van de F-35 in de System Development and Demonstration (SDD-)fase. De vaste Nederlandse bijdrage aan de SDD-fase bedraagt zoals bekend $ 800 miljoen (lopende prijzen). De gevolgen van de op 6 januari jl. door het Pentagon aangekondigde vertraging en verschuiving van 134 toestellen uit de productieseries LRIP 5 tot en met LRIP 9 zijn nog niet bekend. In beginsel betekenen minder toestellen per productieserie, een hogere stuksprijs in de desbetreffende productieseries. Wat per saldo de gevolgen zullen zijn voor de stuksprijzen in de productieseries van de komende jaren, en daarmee voor prijzen van de mogelijk door Nederland aan te schaffen eerste productietoestellen, is nog niet duidelijk. De export van toestellen zoals naar Israël vanaf naar verwachting LRIP 7 heeft de komende jaren een positieve invloed op de ontwikkeling van de stuksprijs. Tot slot heeft het Pentagon gemeld de stijging in de kostenramingen van het afgelopen jaar onaanvaardbaar te vinden en er alles aan te zullen doen om die stijging terug te dringen.

De in januari jl. door het Pentagon genomen maatregelen hebben geen gevolgen voor de prijs van het tweede F-35 testtoestel uit de LRIP 4 productieserie, waarover de Kamer met de brief van 22 februari jl. is geïnformeerd.

Vraag 10
Bent u bereid af te zien van de aanschaf van de twee testtoestellen en te stoppen met deelname aan de ontwikkelingsfase van de JSF? Zo nee, hoe lang blijft de regering zichzelf vastketenen aan dit nodeloze project waar vrijwel niemand nog heil in ziet? Het LRIP3-toestel waar Nederland een (voorlopig) contract voor heeft staat in de productieplanning ingepland voor aflevering in november 2011. Wordt deze datum nog steeds gehaald? Zo nee, waarom is dit niet aan de Kamer gemeld?

Antwoord 10
In het regeerakkoord is vastgelegd dat in 2011 een tweede F-35 testtoestel wordt aangeschaft ten behoeve van deelneming aan de operationele testfase. Binnenkort zal de Kamer hierover nader worden geïnformeerd.

De Kamer is reeds eerder geïnformeerd over de vertraging bij de productie van het eerste testtoestel. Zo is met de jaarrapportage van het project Vervanging F-16 over 2009 (Kamerstuk 26 488, nr. 232) gemeld dat de productie van eerdere SDD- en LRIP-toestellen ruim een half jaar achterliep op de planning. Met de brief van 7 januari jl. is gemeld dat de achterstand de eerstkomende jaren niet kan worden ingelopen en dat de levering van het eerste Nederlandse testtoestel nu is voorzien voor augustus 2012.

Nog geen reacties op dit bericht. Vragen of opmerkingen zijn welkom!

Apr 04 2011

Hoorzitting Kamer 30 maart: Geluid JSF blijft onduidelijk

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Aanschaf JSF

Leeuwarden - Hoeveel geluid de JSF nu precies produceert zal nog lange tijd onduidelijk blijven. Dat was de conclusie die getrokken kon worden na afloop van de ronde tafelgesprekken voor de Tweede Kamer, die gehouden werden op woensdag 30 maart.

Diverse geluidsdeskundigen werden aan de tand gevoeld. Aanleiding was het second opinion rapport van het RIVM dat in december 2010 uitgekomen was. De conclusie van dit rapport was dat de JSF redelijkerwijs te stationeren is op vliegbasis Leeuwarden, maar dat er nog wel twijfels zijn over de precieze geluidsbelasting. In JSFnieuws van 22 december 2010 stond hier al meer over geschreven.

Het programma was in de volgende sessies ingedeeld:
1. Nationaal Lucht en Ruimtevaart laboratorium (NLR)
De heren Van Veen en Van Sijll
2. Overheid
De heren Nijhoff en Welkers van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu
Dhr. Van Luijk van het RIVM/Geluidmeetnet rondom Schiphol.
3. Geluidexperts
Dhr. Hooiring van de Geluidmeet adviesdienst Leeuwarden
Dhr. Muchall van Geluidconsult B.V.
Dhr. Van ’t Hof van het TNO.
4. Omwonenden en Commissie Overleg en Voorlichting Milieuhygiëne
Dhr. Adema van COVM Leeuwarden, gedeputeerde Provincie Friesland
Dhr. Verf omwonende en lid van COVM Leeuwarden.

Enkele reacties van deskundigen

Dhr. Van Veen van het NLR ondersteunde de aanbeveling van het RIVM om een permanent geluidsmeetnet om de vliegbasis aan te leggen na stationering van de JSF. Hiermee kan goed bewaakt worden dat de JSF binnen de geluidscontouren blijft.
Dhr. Van Sijll van het NLR pleitte voor een goed onderzoek over de geluidsbeleving van het vliegtuiglawaai “waar ook ter wereld”. Anders blijven geluidsmetingen alleen maar een bepaalde abstractie van de werkelijkheid geven.
Dhr. Welkers benadrukte nog eens dat er aan de geluidsmetingen van de JSF bepaalde onzekerheden blijven zitten. In welke mate blijft heel lastig aan te geven. Dit werd ook ondersteund door dhr. Van ’t Hof van het TNO die het corrigeren van de Amerikaanse meteogegevens naar de Nederlandse weersomstandigheden uitermate lastig noemde. Het interpreteren van de geluidsmetingen wordt nog eens extra moeilijk omdat we niet beschikken over veel spectrale motorgegevens. Deze zijn geheim. De praktijk zal straks moeten uitwijzen hoeveel geluid er precies is in de Nederlandse situatie. Het omrekenen naar de Nederlandse situatie is dermate ingewikkeld, dat is niet zomaar te zeggen. Ik heb wel vertrouwen in het RIVM rapport dat ik vluchtig ingekeken heb, maar er zijn wel een heleboel onzekerheden, aldus Van ’t Hof.

Onrust na openhartige verklaring dhr. Muchall

De meest duidelijke en onderbouwde verklaring werd afgelegd door geluidsexpert R.C. Muchall van Geluidconsult B.V. Hij vond de rapporten van het RIVM en ook die van het NLR buitengewoon coulant in haar conclusies, erg mild in de uitspraken en een veel te positief beeld scheppen van de werkelijkheid. (De door Muchall gebruikte argumenten beschrijven we volgende week in een uitgebreid artikel in JSFnieuws, waar we meer ingaan op de technische kant van de zaak).
De openhartige verklaring van Muchall zorgde voor enige opschudding in de zaal. Het NLR en het RIVM werden door de voorzitter van de Kamercommissie ter Beek in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Ze waren het uiteraard niet eens met de kritieken van Muchall.

Geluid met lage frequentie

Dhr. Hooiring van de Geluidmeet adviesdienst Leeuwarden wees erop dat de JSF laag frequent geluid heeft. Dat klinkt veel verder door. Hij pleitte voor meer aandacht hiervoor. Ook adviseerde hij de zonering op basis van het grondgebonden geluid tegelijkertijd op te pakken met die van de Luchtvaart. Hiermee wordt voorkomen dat de Kamer later voor onverwachte verrassingen kan komen te staan. Voorts wees hij via de geluidszoneringskaart er nog op dat de geluidscontouren van de JSF op een aantal punten tegen de maximale grens zit. Bij een kleine vermeerdering van één van de factoren zal de geluidszone overschreden kunnen gaan worden.

Tussentijdse reacties van Kamerleden

VVD Kamerlid ten Broeke vond dat er op vliegbasis Leeuwarden nog maar eens aanvullende metingen gedaan moesten worden. CDA Kamerlid Knops merkte op dat het er niet eenvoudiger op was geworden. PvdA Kamerlid Eijsink vond de geluidcijfers gedateerd, omdat het een meting is geweest aan een prototype dat nog volop in ontwikkeling is. Ze wees eerder ook op het gewicht dat nog met meer dan 8% zal stijgen. Dit bleek uit een rapport voor het Amerikaanse Congres uit maart 2010. Het NLR heeft hier in maart 2009 dus geen rekening mee kunnen houden. De vertegenwoordigers van het NLR en het RIVM zeiden dat dit niet relevant was voor de geluidsemissie van de motor. Die zou gelijk blijven.

Friese reacties

De Friese gedeputeerde Adema, tevens voorzitter van de COVM, beklemtoonde het belang van de vliegbasis voor de friese werkgelegenheid. Naast een constructief kritische houding vanuit de omgeving is er een goed evenwicht tussen regio en vliegbasis. Daar zal de JSF later vast ook inpassen. Het RIVM rapport had dat voldoende uitgewezen. Hij wees er verder op dat tot spijt COVM Volkel niet meegedaan had aan het second opinion onderzoek, maar dat de situatie daar nagenoeg hetzelfde zal zijn als voor de Leeuwarder basis.
Dhr. G. Verf, die namens omwonenden sprak, liet geluidsopnames horen van een landende F-15, JSF en F-16. De opnames zijn onder exact dezelfde omstandigheden gemaakt en daarom onderling heel goed vergelijkbaar. Het geluid van de JSF was veruit de luidste. De geluidopnames waren nog nooit eerder aan de Kamerleden ten gehore gebracht. (Via het WAV bestand kunt u de verschillen zelf horen. Landing 1,2 en 3 zijn van de F-15, landing 4 en 5 van de (lege) JSF en landing 6 van de F-16 met een zwaardere motor -PW 229- dan de Nederlandse versie. Deze is ca 10 dBa luider dan de F-16 die op Leeuwarden vliegt. Zie ook bijgaand geluidsprofiel voor het verschil in geluidsenergie tussen de F-15 en de JSF). Hij benadrukte het verschil in theorie en praktijk door te wijzen op het rapport van het NLR van maart ’09 waarin staat dat er amper verschil is te horen tussen de toestellen. De vertegenwoordigers van het NLR merkten hoorbaar en enigszins verongelijkt op dat zij nog steeds niet beschikken over het JSF geluid t.b.v. een simulator en dat het nu hier al wel ten gehore gebracht wordt. Dhr. Verf wees er verder op dat door de lagere frequentie veel woningen opnieuw geïsoleerd moeten worden tegen het JSF-geluid. Het is nu gebaseerd op het lichtere en hogere geluid van de F-16. De meest zware isolatiemethoden zijn toegepast en hebben de vereiste geluidsdemping vaak niet kunnen halen. Hij wees verder op de gevolgen van de zwaarder wordende motor van de JSF. Hoewel de motor hierdoor niet meer geluid zal maken, zal het voor de bewoners wel degelijk meer hinder geven. Een zwaarder vliegtuig zal namelijk lager vliegen of een hogere powersetting gebruiken. Beide keren geeft dit meer geluid voor de bewoners. Ook zal dit invloed hebben op de geluidscontouren. De gewichtstoename vond hij een nieuw argument en daarmee zouden de NLR berekeningen al weer achterhaald zijn. Hoewel hij blij was met één van de conclusies van het RIVM rapport dat de 124 decibel uit de eerste Amerikaanse geluidsmeting veel lager zou moeten liggen, wees hij op het belang van nieuwe (aanvullende) geluidsmetingen onder vergelijkbare Nederlandse omstandigheden, waardoor de dubieuze meteocorrectie ook direct gecorrigeerd kan worden.

Conclusie Hoorzitting JSF Geluid 30 maart 2011

De Kamerleden mogen zich wederom bezinnen op het geluid. Voor bijna iedereen was duidelijk geworden dat de onzekerheid alleen maar toegenomen was en dat het JSF geluid om vervolgonderzoek vraagt.

Auteur: Jan Glas Leeuwarden

Nog geen reacties op dit bericht. Vragen of opmerkingen zijn welkom!

Apr 01 2011

Turkey: purchase F-35s on hold after refusal to share software

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl onder Global F35 News

World Bulletin reports how Chief of General Staff of the Turkish Armed Forces General Isik Kosaner has said the F-35 fighter jet situation should not end up like that of the previous F-16 fighter jets, which stirred up controversy when the US refused to share software designed for the aircraft.

Here some quotes from the World Bulletin:
This is unacceptable,” Kosaner said at the meeting, recalling the debate over F-16 fighter jets, which Turkey purchased from the US in the 1980s. However, the country had refused to provide source codes for the software from the outset of joint production and all friend-enemy definitions were under US control. Turkey is currently working on developing national software source codes for the F-16 fighters, which are produced in Turkey under US license.

Turkey had earlier announced that it is putting the planned purchase of 100 US F-35 fighter jets on hold because the Pentagon refuses to share source codes for the software as well as codes that may be used to activate the planes externally.

Following the SS?K meeting, Defense Minister Vecdi Gönül said on Tuesday that negotiations over F-35 procurement had “not yielded satisfactory results.” He said, “We will evaluate the order in the next meeting in light of the progress made by then,” adding that much ground had been covered in terms of sharing technology in the talks, but it is still not enough for Turkey to accept the jets.

Read the full article: World Bulletin; 24-mar-2011;Turkish army chief warns: Don’t let F-35 situation resemble F-16s

Nog geen reacties op dit bericht. Vragen of opmerkingen zijn welkom!

« Vorige