Jun 27 2008

JSF Business Case : spanning stijgt bij naderen 1 juli (deel 1)

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl om 12:41 onder Ontwikkeling JSF

Den Haag – In het Nederlandse JSF project is 1 juli 2008 een belangrijke datum. Dit is namelijk de meetdatum voor het vaststellen van het afdrachtpercentage voor de industrie in de Business Case. Nu deze datum met rasse schreden nadert, is het interessant een toelichting te geven op het begrip Business Case en een aantal parameters uit de Business Case. Dit kan behulpzaam zijn bij het begrijpen en narekenen van de straks gepresenteerde uitkomsten.

Mevrouw Van der Hoeven, minister van Economische Zaken, gaf het duidelijk aan in de vergadering op 27 mei jongstleden van de Vaste Kamercommissie voor Defensie: ze hoopte dat niemand voor 1 juli met allerlei afdrachtpercentages inzake de Business Case naar buiten zou komen. Niet zinvol, niet constructief en het leidt tot niets. In andere woorden: de Tweede Kamer en de Belastingbetaler, ze moeten gewoon netjes afwachten dus. Van ons geen woord over het te verwachten afdrachtpercentage. Wel geven we u in de dagen die ons resten tot 1 juli in een serie van vier artikelen een toelichting op belangrijke parameters.

Business Case, wat is dat?

Om mee te mogen doen aan de ontwikkeling van de JSF kwam Nederland in 2002 met de USA overeen US$ 800 miljoen te zullen meebetalen aan de ontwikkeling. De verwachting was toen dat daar grote orders voor de industrie tegenover zouden staan. De ondernemers in de industrie vonden de onzekere factoren in het project zo groot, dat ze aan de Staat vroegen het ondernemersrisico te willen lopen en deze US$ 800 miljoen voor te schieten. Zouden dan inderdaad de resultaten erg goed zijn, dan zouden ze gaan terugbetalen. Dit terugbetalen zou plaats vinden in de vorm van een afdrachtpercentage over de gehaalde omzet. Afgesproken werd dit te uit te spreiden over een periode van vijftig jaar ofwel een halve eeuw. Voor de periode tot 1 juli 2008 werd dit percentage vastgesteld op 3,5%. Voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2052 zou in 2008 het percentage vastgesteld worden. Immers, zo was de redenatie, dan was er meer duidelijkheid over de ontwikkelingskosten van de JSF, over de aantallen die besteld zouden zijn en over de marktverwachtingen. Er werd niet op gerekend dat in 2008 er nog grote onzekerheid zou zijn over de werkelijke ontwikkelingskosten, en dat bestellingen met jaren zouden worden uitgesteld. Dat maakt het rekenwerk anno 2008 er niet makkelijker op.

Achtergrond informatie Business Case

Wilt u zich een goed beeld vormen van de Business Case en argumenten voor en tegen die indertijd een rol speelden, dan kan deze informatie u behulpzaam zijn:
Kerndocument is het document Mede Financierings Overeenkomst (MFO) Nederlandse Staat en Industrie inzake ontwikkeling van de JSF uit juni 2002.
In de voorafgaande politieke discussie speelde een het rapport “Participeren in de JSF ontwikkeling” van het Centraal Planbureau (CPB) uit oktober 2001 een grote rol. Het is een belangwekkende basisstudie, inclusief een globale kosten-baten analyse inzake de Business Case en deelname in de ontwikkeling van de JSF, geschreven door Martin Koning en Bart Minne. Op 11 maart 2002 werd dit rapport nog aangevuld ten behoeve van het toen actuele debat in de Kamer. De conclusie van het gezaghebbende CPB was: “Alles overziende lijken de voordelen en kansen van participatie voor de Nederlandse industrie onvoldoende groot om de kosten en risico’s voor de overheid goed te maken. Vanuit economisch oogpunt beschouwd, biedt kopen van de plank meer voordelen dan deelneming in de ontwikkeling van de JSF”. De CPB noemt het effect op werkgelegenheid nihil en waarschuwt voor een verdringingseffect in een markt waar al een tekort is aan hoog opgeleide technici. Hierdoor kan juist een economisch nadeel optreden voor andere sectoren. Negatief oordeelt het CPB over de aspecten “Ontwikkelingsrisico”, “Keuze vrijheid”, “Politiek risico” en “Kostenvoordeel”. Daartegenover staan nauwelijks relevante positieve punten. De reden waarom het CPB advies niet is opgevolgd is tot op heden nooit werkelijk opgehelderd.

Een overzicht van de hele politieke discussie uit het voorjaar 2002 kunt u terugvinden in ons historisch overzicht 1996-2002.

Met name de artikelen in de NRC door Steven Derix en Joost Oranje van 5 juni 2002
(JSF Bussiness Case: Grootste risico voor Staat); van 3 april 2002 (Vaste parameters JSF toch niet zo vast) en 27 februari 2002 (Ambtenaren: “Onderbouwing JSF deal zwak”) geven een goed inzicht in een aantal argumenten voor en tegen uit de toenmalige discussie.

Het rekenmodel

Voor de vaststelling van de hoogte van het afdrachtpercentage voor de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2052 is in de Medefinancieringsovereenkomst (MFO) uit 2002 een rekenmodel gemaakt. VVD minister Zalm zei over dit rekenmodel op 2 april 2002 tegen NRC verslaggever Joost Oranje: “Ik vind ‘m fraai, maar dat is een kwestie van smaak”.
Centraal in dit model staat de berekening van het Tekort in de Business Case. Dit Tekort is als volgt gedefinieerd: Tekort = Overheidsbijdrage minus afdrachten minus ontwikkelingskostenvoordeel minus royaltyvoordeel minus organisatiekostenvoordeel.

Contractueel vastgelegd uitgangspunt is dat dit gehele Tekort door de industrie wordt terugbetaald aan de overheid en dat het op deze wijze voor de belastingbetaler kostenneutraal is. Hoe wordt dit tekort betaald? Door de industrie over gehaalde omzet tussen 2002 en 2008 en over te verwachten omzet tussen 2008 en 2052 een percentage af te laten dragen. Dit tekort werd in 2002 geschat op €233 miljoen. Bij een geschatte omzet (in 2001) van € 8 miljard was in 2002 de schatting dat dit een afdrachtpercentage van nog geen 3% zou gaan betekenen.

Morgen deel 2: JSF Business Case parameters ontrafeld.

JSFNIEUWS080627-MK/jg

Comments RSS

Reageer ook

Je moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.