Feb 25 2009

JSF: wat is de betekenis voor de Nederlandse economie?… het PriceWaterhouseCoopers/EZ rapport

Gepubliceerd door JSFNieuws.nl om 2:09 onder Aanschaf JSF

HERPUBLICATIE n.a.v. het CPB Rapport inzake de JSF Business Case

Deze analyse van het PriceWaterhouseCoopers rapport verscheen eerder op JSFNieuws op 13 augustus 2008. Evenals nu het CPB, stelde JSFNieuws vast dat de effecten van de JSF Business Case op de economie en werkgelegenheid ernstig worden overschat. Hieronder volgt ons oorspronkelijke, nu weer verrassend actuele, artikel.

Den Haag – Een van de belangrijkste discussiepunten in het Nederlandse JSF dossier is op dit moment de herijking van de Business Case. De Nederlandse industrie en het Ministerie van Economische Zaken verschillen aanzienlijk van inzicht over hoeveel procent van de JSF gerelateerde omzet moet worden afgedragen. Een begin juli 2008 verschenen rapport van PriceWaterhouseCoopers zal in deze discussie een cruciale rol spelen. Een analyse.

0 Inleiding

De Nederlandse bedrijven die betrokken zijn bij de JSF (vertegenwoordigd door de NIFARP) hebben op 31 juli officieel bezwaar aangetekend tegen de bijdrage die ze volgens de berekening van EZ moeten gaan leveren (10,3 % van de JSF gerelateerde omzet) als uitvloeisel van het contract dat ze met de Nederlandse Staat gesloten hebben in 2002 (de Mede Financierings Overeenkomst of MFO).
In de brief met het bezwaar staat dat voldoende gegevens ontbreken om over de berekening van de bijdrage te kunnen discussiëren en dat er aan ‘fact-finding’moet worden gedaan. Wel wordt verwezen naar een rapport van PricewaterhouseCoopers (PWC); een accountants firma die ook consultancy doet. Dit rapport van 7 juli 2008 ‘onderschrijft’ het succes van het JSF project en ‘toont aan en kwantificeert” dat er een aantal positieve effecten zijn. Het verschijnen van dit rapport is ook prominent in de pers gemeld. Omdat dit rapport in opdracht van het ministerie van EZ is geschreven, zou het wel eens een belangrijke rol in de verdere discussie kunnen gaan spelen. Reden om het goed te bestuderen.

1 Wat biedt het rapport.

Als u het rapport download en print, dan valt allereerst op dat het zoveel papier is. Maar liefst 81 pagina’s telt het PDF document waarvan de tekst in PowerPoint is gezet, met als gevolg veel vette koppen en ruimte voor plaatjes van vliegtuigen in kleur. Die vette koppen bevatten met name conclusies: zoveel US$ omzet, zoveel manjaren werkgelegenheid. Zo’n dik rapport schrikt veel lezers natuurlijk wel af: de meeste geïnteresseerden beperken zich waarschijnlijk tot de ‘managementsamenvatting’. Bij nader inzien valt het gelukkig mee: om te beginnen zijn van de 81 bladzijden er 23 helemaal leeg, dat wil zeggen er staat bijvoorbeeld alleen op: “hoofdstuk 3.1”. Verder is er een managementsamenvatting van 7 bladzijden, een hoofdstuk “achtergrond, aanleiding, scope” van ook 7 bladzijden, en een ‘synthese’ van 5 bladzijden. Het is een raadsel wat met synthese wordt bedoeld. De inhoud van dit hoofdstuk is grotendeels letterlijk dezelfde als van de managementsamenvatting. Het hele rapport valt op door de vele herhalingen. Bijna alles wordt 3 of 4 keer opgeschreven, hele passages vaak letterlijk. “Het onderzoek is een combinatie van een micro economische en een macro economische analyse..” wordt wel zes keer herhaald in koppen boven hoofdstukken en in de tekst. Als je vervolgens 4 pagina’s overwegingen, 6 onderzoeksverantwoording, 4 begrippenlijst, 2 afkortingen, 1 bronnen en 1 bladzijde met de vijf verantwoordelijke auteurs plus een paar herhalingen van plaatjes aftrekt, blijven er 18 bladzijden (PowerPoint-) tekst over die het onderzoek beschrijven, met nog steeds veel herhalingen en verlucht met leuke plaatjes van vliegtuigen in aanbouw. Uiteindelijk had het hele verhaal in vier A4-tjes weergegeven kunnen worden. Aan het rapport hebben zes hooggekwalificeerde personen gewerkt, waarvan twee met de titel “Professor Doctor” .

2 Wat het onderzoek en rapport volgens PWC inhoudt

Zelf schrijft PriceWaterhouseCoopers (PWC): “..dat kwantitatief macro economisch onderzoek is gecombineerd met kwantitatief en kwalitatief micro economisch onderzoek om zo tot een solide beantwoording van de onderzoeksvragen te komen”. Dit ‘micro economische onderzoek’ is kwalitatief èn kwantitatief omdat “zowel is gevraagd naar kwalitatieve als kwantitatieve data”.
Eenvoudig samengevat is het volgende gedaan. Er is een elektronische enquête gestuurd naar de 86 bedrijven en instellingen die deelnemen aan het JSF-project, (de ondertekenaars van de MFO plus een paar overigen die orders krijgen) waarop 62 hebben gereageerd en met 17 is middels een “face-to-face” interview nader op de materie ingegaan. Dat is alles.

Daarna zijn de resultaten van de enquête vergeleken met de ‘JSF-thermometer’ van EZ en geëxtrapoleerd met behulp van een standaard input-outputtabel van het CBS.
Dit laatste is dan het hele “kwantitatief macro economisch onderzoek”.
De ‘JSF-thermometer’is de optelsom die EZ bijhoudt van alle orders die de JSF-bedrijven hebben ontvangen en denken te zullen ontvangen.
Een input-output tabel is een tabel zoals er een aantal door het CBS zijn opgesteld die de macro-economische verbanden weergeven tussen verschillende sectoren van economie en bedrijfsleven. Het zijn standaard macro-economische schattingen met een beperkte nauwkeurigheid en beperkte houdbaarheidsdatum. De vraag was: als de vliegtuigindustrie in Nederland X meer orders krijgt, hoeveel omzet levert dit dan op voor de rest van het bedrijfsleven, en de tabel heeft als antwoord gegeven: 0,35 X.
Het micro-economisch onderzoek van PWC is dus een enquête onder dezelfde bedrijven die de JSF-thermometer vullen, waarin dezelfde vraag gesteld wordt: “…. wat denken jullie eraan te gaan verdienen aan de JSF in de toekomst?”.
Het macro-economisch onderzoek van PWC is het vermenigvuldigen van de thermometer van EZ met een bestaande tabel van het CBS.

3 Aanpak van het onderzoek en methodologie.

3.1 Feitenonderzoek of opinieonderzoek

Allereerst zij opgemerkt dat in het rapport benadrukt wordt dat het hier gaat om een feitenonderzoek gaat. Maar het enige onderzoek dat plaats vindt is een enquete onder deelnemende bedrijven, over orders die ze al binnen hebben (US$ 700 miljoen) en nog denken te krijgen (US$ 7,3 miljard directe JSF gerelateerde orders tot 2052). In deze verhouding is het dus een opinieonderzoek, geen feitenonderzoek.
De JSF-thermometer van EZ houdt precies deze zelfde gegevens bij en het blijkt dat deze getallen aardig overeenkomen. Het enige wat de enquete van PWC dus heeft gemeten is dat de belanghebbende JSF- bedrijven in staat zijn de tweede keer (gemiddeld) hetzelfde getal te noemen als ze al aan EZ hadden opgegeven.

3.2 Als opinieonderzoek niet neutraal te noemen

Alle respondenten, alle deelnemende bedrijven in het JSF project, hebben belang bij een positieve voorstelling van zaken. Natuurlijk hopen zij vurig dat de overheid ja zegt tegen de volgende fase en zijn ze dus geneigd om toekomstige orders positief in te schatten bij de enquête. Daarnaast ontbreekt een rechtvaardiging of toelichting op het eigen optreden van PWC. De vraag dient gesteld te worden: Hoeveel van de 86 belanghebbende bedrijven en instellingen zijn cliënt van de accountant of de consultant PWC? Afgaande op hun marktaandeel in Nederland mogelijk wel 20 van de respondenten.
Eén van de twee professoren die het rapport ondertekenen is verbonden aan de Tilburgse
economische faculteit ((E. Brouwer). Hij heeft daar twee collega’s (M. de Vijver en B. Vos) die rapporten schrijven over de JSF in opdracht van NIFARP, de belangenorganisatie bij uitstek van de 86 belanghebbende bedrijven. Aan deze aspecten van belangenverstrengeling wordt geen woord gewijd in de verantwoording.

3.3 In het rapport wordt steeds gemeten met omzet.

De arbeidsplaatsen worden daaruit afgeleid met bestaande, historische cijfers van omzet per werknemer. Omzet zegt echter niet zoveel, toegevoegde waarde is veel belangrijker. Zo wordt er gemeld dat een bedrijf spin-off omzet verwacht in “dunwandige titaanbuizen”. Nu is titanium een zeer duur metaal, en helaas wordt het in Nederland niet gevonden. Omzet in titaniumbuizen kan dus betekenen: Inkoop (import) 16 miljoen, verkoop (export) 20 miljoen, toegevoegde waarde 4 miljoen, waarvan loonkosten 0,5 miljoen, (dus 2 tot 4 arbeidsjaren), overige kosten 1,5 miljoen, winst en belasting 2 miljoen. Het is aannemelijk dat bij de high-tech hardware waar we het bij de JSF over hebben, verhoudingsgewijs veel zeer dure inkoop plaats vindt en dus veel omzet met beperkte toegevoegde waarde.

3.4 Er is niet geprobeerd om objectief, met een macrovisie, naar de vraag te kijken.

- Hoeveel orders zijn er in het hele project eigenlijk te vergeven?
- Van welke orders is er een kans dat de Amerikanen , c.q. de hoofdaannemers ze zullen weggeven.
- Welk aandeel is voor Nederland haalbaar, gegeven de concurrentie van Engeland, Noorwegen, Australie, etc?
- Aangezien we alleen orders krijgen als we concurrerend zijn op prijs en kwaliteit, waarom
krijgen we die orders dan niet als we niet deelnemen?
- Hoeveel orders krijgen we van hele andere opdrachtgevers, omdat concurrenten in de andere JSF-landen druk bezig zijn met hun JSF-orders, terwijl wij toch concurrerend zijn op prijs en kwaliteit?
-Hoeveel orders laten we schieten, omdat we met de JSF-orders bezig zijn?
- Als Nederland besluit tot ‘kopen van de plank’, d.w.z. wachten tot het vliegtuig vliegt en dan rustig vergelijken en onderhandelen over de prijs (zoals u en ik een auto kopen) , wat is dan het effect van de compensatieorders die wij kunnen bedingen voor de Nederlandse industrie?

3.5 Er wordt gegoocheld met omzet en arbeidsplaatsen.

In het hoofdstuk Innovatie wordt een toename met 3500 arbeidsjaren als gevolg van Innovatie door de JSF-bedrijven voorspeld. Echter, “het berekende effect is de toekomstige verhoging van de toegevoegde waarde en omzet bij het constant houden van de hoeveelheid arbeid en kapitaal” (pag. 48). Hoezo meer arbeidsplaatsen bij gelijke inzet van arbeid?

4 De berekeningen.

4.1 De directe effecten: JSF –orders voor Nederlandse bedrijven.

De US$ 8 miljard aan orders volgens de enquete leveren volgens PWC 24.100 arbeidsjaren op. Eerlijk wordt er bij vermeld, dat 6500 hiervan door uitbesteding en via buitenlandse dochters naar het buitenland gaan. Rest dus 17.600.
De ‘macro-economische berekening’ van het aantal arbeidsjaren (US$ 8 miljard gedeeld door huidige omzet/werknemer) komt op 19.200.
Desondanks nemen PWC voor hun eindconclusie het gemiddelde van 24.100 en 19.200, ofwel 21.700 als direct effect. Dit zou dus moeten zijn 18.400, als we het hebben over Nederlandse arbeidsjaren. En dat over een looptijd tot na 2052, we spreken dan over gemiddeld minder dan 600 banen (arbeidsjaren gedeeld door looptijd).

4.2 De indirecte effecten: toeleveranciers van de JSF-bedrijven.

Deze effecten zijn berekend met de al genoemde multiplier van het CBS: dus 0,35 maal
US$ 8 miljard is US$ 2,8 miljard. En dat is dus weer 12.800 arbeidsjaren.
Vergeten is hier dat de buitenlandse omzet (dat is 27% zoals we hierboven zagen) nauwelijks Nederlandse toeleverantie genereert, dus we moeten hier weer 3450 arbeidsjaren aftrekken.

4.3 Spin-off effect.

De JSF-bedrijven verwachten volgens de enquete dat ze extra orders zullen verwerven dankzij de technologie en de reputatie die ze aan de JSF te danken hebben. In totaal 2,7 miljard.
Van dit getal is slechts 36 % zeker, de rest is hoop en verwachting.
Gezien het gebrek aan objectiviteit van de enquete, het indirecte karakter van de voorsprong (‘reputatie’), de lange termijn waar men over praat, (2052!) is die 2,7 miljard dus boterzacht. Die orders worden natuurlijk ook deels ontfutseld aan Nederlandse concurrenten. Om twee redenen moet het getal dus naar beneden gecorrigeerd worden. Een schatting van US$ 2 miljard is al heel wat, ofwel 5650 arbeidsjaren minder dan geprojecteerd.

4.4 Spill-over en Innovatie.

Spill-over geeft bij PWC een verwaarloosbaar effect, maar bij innovatie vindt men toch 3.500 arbeidsjaren als gevolg van de investeringen van de geënquêteerde bedrijven.
Deze worden echter gevonden op basis van uitgaven van deze deelnemende bedrijven.
Maar het effect op de rest van de economie was al berekend met de multiplier van 0,35, en dat zijn juist de uitgaven van de primaire groep die de US$ 8 miljard orders krijgt. Deze innovatie-arbeidsjaren zijn dus een dubbeltelling.

4.5 Het juiste getal.

Indien men bovengenoemde directe correcties toepast, is het aantal te verwachte arbeidsjaren als gevolg van deelname door de Nederlandse staat aan het economische deel van de JSF dus niet 50.000, maar 15.900 minder, ofwel ongeveer 34.000.
Neemt men ook nog andere effecten in beschouwing, zoals er een paar genoemd zijn in paragraaf 3.4 hierboven, dan zal een redelijke inschatting nog lager uitkomen.

5 Verdringingseffect.

Het rapport schenkt enige aandacht aan het effect dat orders voor de luchtvaartindustrie als gevolg zouden kunnen hebben dat werknemers van elders worden weggehaald zodat er per saldo helemaal geen arbeidsplaatsen worden gecreëerd. Erkend wordt dat dit exact de situatie van dit ogenblik is. Bij het binnenhalen van de grote bekabelingsorder voor Fokker-Elmo in Hoogerheide plaatst topman Jan Lagasse deze kanttekening (Interactie, nummer 3-2008; blad Brabants Zeeuwse Werkgeversvereniging) deze kanttekening: “Met het binnenhalen van de opdracht voor de JSF moet Fokker Elmo de komende jaren extra personeel op de toch al krappe arbeidsmarkt weten te vinden.” En “Wij hebben zelfs enkele tientallen vacatures openstaan die we niet vervuld krijgen. Met name engineers zijn moeilijk te krijgen. De arbeidsmarkt kan echter een beperking zijn, in het ergste geval moeten wij ons bedrijf in het buitenland laten groeien”. Aldus deze Fokker Elmo topman, sprekender kan het niet.
Het CPB heeft dit verdringingseffect in 2001 al in een studie voorzien. (CPB, 2001). Het is nauwelijks te verwachten dat deze situatie snel verandert, want dat is afhankelijk van bevolkingsopbouw, scholing en een cultuur-bepaalde voorkeur voor technische beroepen. PWC neemt aan er in de toekomst toch niet alleen maar van verdringing sprake zal zijn, maar er wordt kwantitatief geen enkele consequentie verbonden aan het feit dat om te beginnen een aanzienlijk aantal jaren van het project geen enkele verbetering van de werkgelegenheid bereikt wordt. De 34.000 van hiervoor moeten dus alleen al op basis hiervan nog met vele duizenden worden teruggebracht.

6 Kritiekloze aanname marktomvang

In een rapport van dit kaliber zou verwacht mogen worden dat uitgebreid ingegaan wordt op een van de belangrijkste basisparameters in alle berekeningen van omzet en werkgelegenheid. Deze basisparameter is: hoeveel JSF’s zullen er geproduceerd gaan worden? Op bladzijde 2 staat simpelweg vermeld “Als uitgangspunt is een totale productie van 4.500 JSF toestellen … gehanteerd.” Wat zijn de gevolgen voor de berekeningen als er 2.500, 3.000 of 3.500 toestellen worden geproduceerd? Wat zijn de gevolgen als er niet 85, maar (politiek niet ondenkbaar) 60 of 48 JSF toestellen worden gekocht voor de Koninklijke Luchtmacht? Deze vragen worden in het rapport niet gesteld.
Hoe reëel de vraag is naar de mogelijk marktomvang is eerder in detail aangetoond op JSFNIEUWS in een artikel van 30 juni 2008 “Markt voor JSF: Prognose 2001 en realiteit 2008” Op basis van dit artikel is het realistisch om voor alle omzetbedragen, arbeidsjaren en arbeidsplaatsen een factor 0,6 (of zelfs lager) te hanteren.

7 Oordeel over het PWC rapport.

Dit rapport is niet wat het beweert te zijn, een weergave van een objectief en onafhankelijk economisch onderzoek. Het feitelijk onderzoek is niet meer dan een opiniepeiling onder eén groep belanghebbenden, de industrie zoals verenigd in de lobbygroep NIFARP.
Daarbij is het methodologisch zwak; een goede en wetenschappelijke verantwoorde economische onderbouwing is ver te zoeken. Inschattingen en verwaarlozingen worden zonder enige onderbouwing gedaan en vallen steeds in het voordeel van het JSF-project uit. Kritiekloos wordt uitgegaan van de aanname van een aantal van 4.500 te produceren toestellen, zonder scenario’s door te rekenen. Opmerkelijk is tevens dat in een rapport gemaakt in opdracht van de Nederlandse overheid over een Nederlandse economisch onderwerp in US$ wordt gerekend en niet in Euro.
Elkaar tegensprekende passages en de vele taalfouten versterken de indruk van broddelwerk.
De resultaten worden verbaal opgeblazen om een zo indrukwekkend mogelijk verhaal te maken. Interessante andere invalshoeken zijn niet gezocht of vermeden.
Lezers die zich beperken tot de managementsamenvatting denken dat de onderbouwing in de rest van de 80 bladzijden zal zitten. Die is er niet, de rest is herhaling.

8 Banen scheppen, welke en hoe?

Zelfs als de conclusie uit het rapport onverkort juist is, namelijk dat economische deelname aan de JSF 50.000 arbeidsjaren voor de Nederlandse economie oplevert, dan is het goed om dit getal in perspectief te zien. Het gaat om de periode tot het jaar 2052.
Verspreid over 45 jaar vanaf nu gaat het dus over gemiddeld slechts 1.100 arbeidplaatsen.
De technici om die plaatsen te vullen zijn er voorlopig niet en moeten van andere bedrijven weggehaald worden.
De nationale vacature bank heeft momenteel 10.600 vacatures voor mensen met LBO of MBO op het internet staan.. “We komen in 2010 zo’n 70.000 technici tekort, zegt Adri Pijnenburg van het VMBO Platform Metaal & Metalektro en de Stichting Consortium Beroepsonderwijs”, “Bedrijven zijn wanhopig, aldus Willie Berentsen van FME” (citaten uit de NRC, 12-07-2008).
De vraag kan gesteld worden of het scheppen van banen met overheidsgeld, als de overheid daar al een rol in moet spelen, in andere sectoren niet effectiever kan plaats vinden.

Rapport EZ Nederlandse deelname JSF project d.d. 7 juli 2008, download hele rapport.

Comments RSS

Reageer ook

Je moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.